Partijen zijn gescheiden en de man was verplicht een partnerbijdrage te betalen aan de vrouw. Na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst bij zijn werkgever ontving de man een ontslagvergoeding die hij gebruikte om zijn inkomen op peil te houden en zo de partnerbijdrage te kunnen voldoen. Deze vergoeding is inmiddels opgebruikt en zijn huidige inkomen is aanzienlijk lager.
De vrouw betwist dat de man zijn verdiencapaciteit volledig benut en stelt dat hij verwijtbaar werkloos is geworden, terwijl de man stelt dat hij zich voldoende heeft ingespannen om een vergelijkbare baan te vinden maar zonder succes. De rechtbank oordeelt dat de man geen verwijt kan worden gemaakt en dat de ontslagvergoeding terecht is aangewend voor investering in een onderneming om inkomen te genereren.
Op grond van de berekeningen en de draagkracht van de man concludeert de rechtbank dat hij vanaf 1 augustus 2019 geen draagkracht meer heeft om een partnerbijdrage te betalen naast de kosten voor de kinderen. De partnerbijdrage wordt daarom met ingang van die datum op nihil gesteld. De vrouw blijft tot 1 januari 2020 alimentatie ontvangen uit een lijfrentepolis.