ECLI:NL:RBNHO:2019:7086

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 augustus 2019
Publicatiedatum
16 augustus 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1813
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 44 PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen terugvordering en ingangsdatum Participatiewet-uitkering

Eiser ontving sinds 15 december 2017 een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Na een rechtmatigheidsonderzoek stelde verweerder vast dat eiser vermogen had verzwegen, waardoor de uitkering over de periode van 15 december 2017 tot 1 augustus 2018 werd ingetrokken en het bedrag van €7.014,78 werd teruggevorderd.

Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in tegen het bestreden besluit waarin de bezwaren ongegrond werden verklaard. De rechtbank oordeelde dat de terugvordering terecht was, omdat verweerder verplicht is dit bedrag terug te vorderen en eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er dringende redenen waren om hiervan af te zien.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de ingangsdatum van de nieuwe PW-uitkering terecht op 20 september 2018 was gesteld, omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich eerder had gemeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering en de ingangsdatum van de PW-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/1813

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) per 1 augustus 2018 ingewilligd per 20 september 2018.
Bij besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder bij eiser een bedrag van € 7.014,78 teruggevorderd in verband met de ten onrechte genoten PW-uitkering over de periode van 15 december 2017 tot 1 augustus 2018.
Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak van eiser met nummer HAA 19/461. Daarna zijn de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontving sinds 15 december 2017 een PW-uitkering van verweerder. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder onderzoek naar de PW-uitkering van eiser gedaan. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit rechtmatigheidsonderzoek is verweerder bij besluiten van 21 augustus 2018 en 20 september 2018 overgegaan tot blokkering en vervolgens, op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW en 54, derde lid, van de PW, tot intrekking van de PW-uitkering over de periode van 15 december 2017 tot 1 augustus 2018, wegens het ten onrechte verzwijgen van het hebben van vermogen. De hiertegen gerichte bezwaren van eiser zijn bij besluit van 24 januari 2019 ongegrond verklaard. Het hiertegen gerichte beroep, met procedurenummer HAA 19/461, is door deze rechtbank bij uitspraak van 16 augustus 2019 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft in haar hiervoor genoemde uitspraak van 29 augustus 2019 al geoordeeld dat verweerder terecht is overgegaan tot blokkering en intrekking van de PW-uitkering van eiser over de periode van 15 december 2017 tot 1 augustus 2018. Verweerder is daarom terecht overgegaan tot het terugvorderen van het bedrag aan ten onrechte genoten PW-uitkering over die periode, te weten € 7.014,78. Verweerder is namelijk verplicht om dit te doen. Deze verplichting volgt uit artikel 58, eerste lid, van de PW. Van dringende redenen om toch af te zien van de terugvordering als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW is de rechtbank niet gebleken. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij de terugvordering financieel niet kan dragen en dat de situatie eiser veel stress oplevert, is hiervoor onvoldoende.
3. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de (nieuwe) aanvraag om een PW-uitkering van 20 september 2018 terecht per die datum heeft ingewilligd. Eiser heeft niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij zich hiervoor al eerder, naar hij stelt op 1 augustus 2018, heeft gemeld bij verweerder. Gelet hierop zijn er geen bijzondere omstandigheden naar voren gekomen die verweerder ertoe hadden moeten brengen af te wijken van de hoofdregel van artikel 44, eerste lid, van de PW, namelijk dat bijstand niet eerder wordt toegekend dan de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.