ECLI:NL:RBNHO:2019:7588

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 september 2019
Publicatiedatum
5 september 2019
Zaaknummer
7645111 AO VERZ 19-40
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:661 BWArt. 6:170 BWArt. 6:162 BWArt. 7:686a lid 2 BWArt. 7:686a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring vorderingen aansprakelijkheid werknemer na beëindiging dienstverband

In deze zaak verzochten partijen de rechtbank om een oordeel over de aansprakelijkheid van de werknemer jegens Wijcker Groen, met betrekking tot vermeende schade door opzet of roekeloos handelen. De kantonrechter beoordeelde of deze vorderingen ontvankelijk zijn binnen de verzoekschriftprocedure zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW.

De rechtbank oordeelde dat de vorderingen niet direct verband houden met het einde van het dienstverband en derhalve niet onder de genoemde wettelijke bepaling vallen. De aansprakelijkheidsvorderingen zijn gebaseerd op de artikelen 7:661 BW, 6:170 BW en 6:162 BW, en het feit dat het incident aan het einde van het dienstverband voorafging, is onvoldoende voor ontvankelijkheid.

Daarom werden zowel het verzoek van de werknemer als de tegenverzoeken van Wijcker Groen niet-ontvankelijk verklaard. Tevens wees de kantonrechter het verzoek van Wijcker Groen af om de zaak te splitsen, omdat de vorderingen niet binnen de wettelijke criteria vallen. De proceskosten van het tegenverzoek werden aan Wijcker Groen opgelegd en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen over aansprakelijkheid werknemer; proceskosten worden aan Wijcker Groen opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 7645111 \ AO VERZ 19-40
Uitspraakdatum: 11 september 2019
Beschikking in de zaak van:
[werknemer],
wonende te [woonplaats]
verzoekende partij in de zaak van het verzoek
verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek
verder te noemen: [werknemer]
gemachtigde: mr. P.J. Aschebrock
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Wijcker Groen B.V.,
gevestigd te Beverwijk
verwerende partij in de zaak van het verzoek
verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek
verder te noemen: Wijcker Groen
gemachtigden: mr. M.G. Jansen en mr. I. Epe

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Bij beschikking van 17 juli 2019 heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten kenbaar te maken omtrent hetgeen onder 5.27. van die beschikking is overwogen, te weten – kort gezegd – het voornemen van de kantonrechter om partijen met betrekking tot gedeelten van de (tegen)verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren.
1.2.
Bij brieven van 13 augustus 2019 hebben partijen hun standpunten omtrent het voorgaande aan de kantonrechter kenbaar gemaakt.
1.3.
Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2.De beoordeling

Het verzoek en het tegenverzoek
2.1.
Het gaat in deze zaak nog om het verzoek van [werknemer] om voor recht te verklaren dat (i) geen sprake is van opzet of bewust roekeloos handelen in de zin van artikel 7:661 BW Pro en (ii) [werknemer] derhalve niet aansprakelijk kan worden gesteld voor door Wijcker Groen geleden of nog te lijden schade, en om de tegenverzoeken van Wijcker Groen om (i) voor recht te verklaren dat [werknemer] jegens Wijcker Groen aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, (ii) [werknemer] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade- vergoeding en (iii) [werknemer] te veroordelen tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat. Deze vorderingen zijn door partijen met een beroep op artikel 7:686a lid 3 BW met een verzoekschrift ingeleid.
2.2.
De vraag die beantwoord moet worden is of voornoemde vorderingen ‘
daarmee verband houdende andere vorderingen’ zijn als bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW en, aldus, of partijen in deze verzoekschriftprocedure ontvankelijk zijn in die vorderingen.
2.3.
Artikel 7:686a lid 2 BW bepaalt dat gedingen die op het in, bij of krachtens afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoek- schrift. Het derde lid van dit artikel schrijft voor dat in dergelijke gedingen daarmee verband houdende andere vorderingen kunnen worden ingeleid met een verzoekschrift. Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 7:686a lid 3 BW bedoeld voor onder meer loonvorderingen, geschillen over een concurrentie- en/of relatiebeding, afgifte van ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen; derhalve vorderingen die direct verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst.
2.4.
Anders dan Wijcker Groen is de kantonrechter van oordeel dat de vorderingen, zoals genoemd onder 2.1., niet kunnen worden aangemerkt als vorderingen die verband houden met het einde van het dienstverband, zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW. De betreffende vorderingen vinden hun grondslag immers in de artikelen 7:661 BW, 6:170 BW, althans 6:162 BW. Het enkele gegeven dat het voorval van 23 januari 2019 aan de beëindiging van het dienstverband van [werknemer] ten grondslag ligt, betekent niet dat de betreffende (aansprakelijkheids)vorderingen daarmee (voldoende) verband houden.
2.5.
Gelet op het voorgaande zullen partijen met betrekking tot de betreffende gedeelten van hun verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.6.
Voor zover Wijcker Groen zich op het standpunt heeft gesteld dat, in geval van niet-ontvankelijkheid, de behandeling van haar tegenverzoeken moet worden gesplitst op grond van artikel 7:686a lid 10 BW, volgt de kantonrechter dat standpunt niet. Uit artikel 7:686a lid 10 BW volgt immers dat het bij het splitsen van een zaak in een of meer zaken moet gaan om vorderingen als bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW. Nu hiervoor reeds is overwogen dat van dergelijke vorderingen in onderhavig geval geen sprake is, zal de zaak niet worden gesplitst.
2.7.
De proceskosten van het tegenverzoek komen voor rekening van Wijcker Groen, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart [werknemer] niet-ontvankelijk in zijn verzoek om voor recht te verklaren dat (i) geen sprake is van opzet of bewust roekeloos handelen in de zin van artikel 7:661 BW Pro en (ii) [werknemer] derhalve niet aansprakelijk kan worden gesteld voor door Wijcker Groen geleden of nog te lijden schade;
3.2.
verklaart Wijcker Groen niet-ontvankelijk in haar verzoeken om (i) voor recht te verklaren dat [werknemer] jegens Wijcker Groen aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, (ii) [werknemer] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding en (iii) [werknemer] te veroordelen tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat;
3.3.
veroordeelt Wijcker Groen tot betaling van de proceskosten van het tegenverzoek, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 720,00 te weten salaris gemachtigde;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en op 11 september 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter