In deze zaak verzochten partijen de rechtbank om een oordeel over de aansprakelijkheid van de werknemer jegens Wijcker Groen, met betrekking tot vermeende schade door opzet of roekeloos handelen. De kantonrechter beoordeelde of deze vorderingen ontvankelijk zijn binnen de verzoekschriftprocedure zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW.
De rechtbank oordeelde dat de vorderingen niet direct verband houden met het einde van het dienstverband en derhalve niet onder de genoemde wettelijke bepaling vallen. De aansprakelijkheidsvorderingen zijn gebaseerd op de artikelen 7:661 BW, 6:170 BW en 6:162 BW, en het feit dat het incident aan het einde van het dienstverband voorafging, is onvoldoende voor ontvankelijkheid.
Daarom werden zowel het verzoek van de werknemer als de tegenverzoeken van Wijcker Groen niet-ontvankelijk verklaard. Tevens wees de kantonrechter het verzoek van Wijcker Groen af om de zaak te splitsen, omdat de vorderingen niet binnen de wettelijke criteria vallen. De proceskosten van het tegenverzoek werden aan Wijcker Groen opgelegd en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.