Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 29 augustus 2019, met 5 producties
- producties 1 tot en met 11 van de vrouw
- de mondelinge behandeling van 9 september 2019
- de pleitnota van de vrouw.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen hadden een affectieve relatie die in 2015 eindigde, met gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind. Na het uiteengaan woonde de moeder met het kind bij haar moeder in Duivendrecht. De moeder verhuisde in juli 2019 zonder overleg met de vader naar een woning in een andere plaats, waar zij zelfstandig kan wonen en toeslagen ontvangt.
De vader vorderde terugverhuizing van moeder en kind naar de oude woning en herinschrijving op de oude school, stellende dat de verhuizing niet in het belang van het kind is en het contact met hem belemmert. De moeder verweerde zich met het argument dat zij door lage inkomens en wachtlijsten geen betaalbare woning in de regio kon vinden en dat de verhuizing de ontwikkeling van het kind ten goede komt.
De rechtbank oordeelde dat de moeder de vader ten onrechte niet heeft betrokken bij de verhuizing, wat de communicatie en het contact tussen vader en kind onder druk zet. Echter, de moeder kan niet worden geacht nog langer bij haar moeder te blijven wonen, en de verhuizing betekent geen ingrijpende wijziging in de rol van de vader in het leven van het kind, gezien de beperkte contacten.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de moeder bij zelfstandige huisvesting en het kind bij een stabiele woonomgeving zwaarder wegen dan het belang van de vader bij terugkeer. De vordering tot terugverhuizing werd daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot terugverhuizing van moeder en minderjarige naar de oude woning is afgewezen.