ECLI:NL:RBNHO:2019:96

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 januari 2019
Publicatiedatum
7 januari 2019
Zaaknummer
6527607 \ CV EXPL 17-11270
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004artikel 5 EVEX IIartikel 15 Overeenkomst Zwitserland-Europese Gemeenschap inzake luchtvervoer
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering compensatie vertraagde vlucht op grond van Verordening 261/2004 wegens vertraging minder dan drie uur

De passagier heeft een vordering ingesteld tegen Swiss International Air Lines A.G. wegens vertraging van vlucht LX86 van Zürich naar Montreal op 6 december 2015. De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

Swiss betwist de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid voor deze vlucht en voert aan dat de Verordening beperkt van toepassing is op Zwitserse luchtvaartmaatschappijen, en dat de vertraging minder dan drie uur bedroeg. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is, omdat de verbintenis is aangegaan in Amsterdam en de vordering betrekking heeft op de gehele vluchtcombinatie.

De passagier heeft niet voldoende bewijs geleverd dat de vertraging drie uur of meer bedroeg. Swiss heeft aangetoond dat de vertraging 2 uur en 7 minuten was. Daarom bestaat geen recht op compensatie en wordt de vordering afgewezen. De passagier wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vertraging wordt afgewezen omdat de vertraging minder dan drie uur bedroeg.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 6527607 \ CV EXPL 17-11270
Uitspraakdatum: 9 januari 2019
Vonnis in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
eiser
hierna te noemen de passagier
gemachtigde mr. H. Yildiz
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Swiss International Air Lines A.G.
gevestigd te Basel (Zwitserland), mede kantoorhoudende te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen Swiss
gemachtigde mr. E.C. Douma

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 28 november 2017 een vordering tegen Swiss ingesteld. Swiss heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Swiss een schriftelijke reactie heeft gegeven.
1.3.
Op 11 december 2018 heeft, onder andere op verzoek van de passagier, een pleidooi plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met Swiss een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Swiss de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar Zürich (Zwitserland) met vluchtnummer LX735 op 6 december 2015 en aansluitend op dezelfde dag van Zürich naar Montreal (Canada) met vluchtnummer LX86.
2.2.
Vlucht LX86 is door Swiss vertraagd uitgevoerd.
2.3.
De passagier heeft compensatie van Swiss gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
Swiss heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagier vordert dat Swiss bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat Swiss vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hem te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

4.Het verweer

4.1.
Swiss betwist de vordering. Swiss voert aan dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om te oordelen over vlucht LX86. Zij voert - subsidiair - aan dat op grond van artikel 15 van Pro de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Gemeenschap inzake luchtvervoer van 21 juni 1999 (PB L 114/73) en besluit nr. 1/2006 van 18 oktober 2006 van het Comité Luchtvervoer Europese Unie/Zwitserland, de Verordening voor haar als Zwitserse luchtvaartmaatschappij beperkte werking heeft. De Verordening geldt uitsluitend voor de door in Zwitserland gevestigde luchtvaartmaatschappijen uitgevoerde vluchten tussen Zwitserland en EU-lidstaten (en omgekeerd) en dus niet voor de vlucht van Zwitserland naar Montreal. Meer subsidiair voert Swiss aan dat vlucht LX86 met minder dan 3 uur vertraging in Montréal is aangekomen. De passagier maakt daarom volgens Swiss geen aanspraak op compensatie.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat Swiss in het buitenland (Zwitserland) is gevestigd. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Nederland (als onderdeel van de Europese Unie) en Zwitserland zijn partij bij EVEX II (het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Krachtens artikel 5 EVEX Pro II is bevoegd de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Aangezien in deze zaak aan de eis ten grondslag ligt de verbintenis tussen de passagier en Swiss die uitgevoerd moest worden vanaf Amsterdam Schiphol, is deze rechtbank in ieder geval bevoegd ten aanzien van vlucht LX725. Swiss heeft dit ook niet betwist. De kantonrechter oordeelt dat hieruit voortvloeit dat zij ook bevoegd is te oordelen over vlucht LX86, nu de vordering betrekking heeft op het geheel en/of de combinatie van de vluchten.
5.2.
De kantonrechter zal vervolgens het verweer van Swiss beoordelen dat de vertraging minder dan drie uur heeft bedragen. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de gestelde vertraging rusten op de passagier. Hij beroept zich immers op het rechtsgevolg van die stelling, te weten compensatie op grond van de Verordening. Bij dit uitgangspunt geldt als kanttekening dat aan dat bewijs in een geval als hier aan de orde geen al te zware eisen mogen worden gesteld.
5.3.
Swiss heeft aangevoerd dat vlucht LX86 om 15:15 uur lokale tijd in Montréal had moeten aankomen, maar feitelijk om 17:22 uur is aangekomen en dus met een vertraging van 2 uur en 7 minuten. De passagier heeft dit niet weersproken. Hij heeft gesteld dat de vlucht was verstoord dan wel dat de vlucht niet is gegaan zoals gepland, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Gelet op vorenstaande is niet komen vast te staan dat de passagier met een vertraging van drie uur of meer op de eindbestemming is aangekomen. Er bestaat daarom geen recht op compensatie en de vordering wordt afgewezen. Nu de hoofdvordering wordt afgewezen, zullen ook de nevenvorderingen worden afgewezen. De overige verweren van Swiss behoeven gelet hierop geen bespreking.
5.4.
De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat hij ongelijk krijgt. Nu het pleidooi in deze zaak gelijktijdig is behandeld met vijf andere zaken, acht de kantonrechter het redelijk om in deze zaak aan de gemachtigde van Swiss 1 salarispunt toe te kennen voor het pleidooi.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Swiss worden vastgesteld op een bedrag van € 360,00 aan salaris van de gemachtigde van Swiss.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter