ECLI:NL:RBNHO:2020:10293

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 december 2020
Publicatiedatum
8 december 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1689
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228a GemeentewetArt. 3 Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019Art. 5 Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanslag rioolheffing ondanks gebruik septic-tank en beroep op gelijkheidsbeginsel

Eiser is eigenaar van een perceel waarop een loods staat, waarvoor de gemeente Texel een aanslag rioolheffing voor het jaar 2019 heeft opgelegd. Eiser betwist deze aanslag omdat hij gebruikmaakt van een septic-tank en het overstortwater op een naastgelegen sloot loost, waarvoor waterschapsbelastingen worden betaald.

De rechtbank stelt vast dat het perceel is aangesloten op het gemeentelijke riool en dat hemelwater via de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Dit betekent dat het belastbare feit voor de rioolheffing zich heeft voorgedaan. Het gebruik van een septic-tank doet hieraan niet af, noch het feit dat het perceel slechts een geringe hoeveelheid water afneemt.

Eiser voert tevens aan dat sprake is van willekeur omdat aan vijf eigenaren van vergelijkbare loodsen geen aanslag is opgelegd, wat een schending van het gelijkheidsbeginsel zou zijn. De rechtbank oordeelt dat niet is aangetoond dat deze gevallen vergelijkbaar zijn en dat het hier bovendien niet om een meerderheid van de gevallen gaat. Ook is geen begunstigend beleid vastgesteld.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag rioolheffing wordt ongegrond verklaard omdat het perceel is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/1689

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Texel, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2019 een aanslag rioolheffing opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2020 te Haarlem.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [P] .

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2019 een aanslag rioolheffing opgelegd van € 274,25 voor het perceel [A] te [Z] (hierna: de onroerende zaak).
2. Eiser is eigenaar van dit perceel.
3. Eiser stelt dat deze aanslag ten onrechte aan hem is opgelegd, omdat hij geen aansluiting op het gemeentelijk riool heeft en voor het afvalwater gebruik wordt gemaakt van een septic-tank ten aanzien waarvan de overstort wordt geloost op de naastgelegen sloot, waarvoor waterschapsbelastingen worden afgedragen.
4. Overeenkomstig artikel 228a van de Gemeentewet kan een rioolheffing worden geheven. De gemeente Texel heeft de heffing van rioolheffing voor het onderhavige jaar geregeld in de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019 (hierna: de Verordening).
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam rioolheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, de zuivering van huishoudelijk afvalwater, de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater.
Op grond van artikel 3 van Pro de Verordening wordt de belasting geheven van
degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Op grond van artikel 5 van Pro de Verordening wordt de belasting geheven naar een vast bedrag per perceel.
5. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het perceel is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De rechtbank acht daarmee ook aannemelijk dat het hemelwater van dit perceel wordt afgevoerd via de gemeentelijke riolering. Het belastbare feit als bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening heeft zich derhalve voorgedaan. Dat de riolering deels is aangelegd op eigen grond en is betaald met eigen kosten is niet relevant. Ook de omstandigheid dat eiser voor het afvalwater op zijn perceel gebruik maakt van een septic-tank, doet niet af aan het vorenstaande.
6. Het feit dat eiser slecht een zeer geringe hoeveelheid water afneemt is niet relevant voor de heffing van de rioolbelasting nu een eigenarenheffing is opgelegd en deze wordt geheven naar een vast bedrag per perceel (artikel 5 van Pro de Verordening).
7. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van willekeur nu aan vijf eigenaren van een loods op [B] geen aanslag rioolbelasting is opgelegd. De rechtbank vat dit op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel en overweegt daartoe als volgt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan sprake zijn (1) indien sprake is van een begunstigend beleid of (2) een interpretatief beleid, (3) indien ten aanzien van (een) bepaalde belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk van begunstiging of (4) wanneer de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. Bij de toepassing van de meerderheidsregel gaat het erom of in de meerderheid van de met eisers geval vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Eiser stelt dat ten aanzien van 5 van de 29 loodsen geen rioolheffing is geheven. Daargelaten dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dit gelijke gevallen zijn, betreft het geen meerderheid van de gevallen, zodat geen sprake is van schending van de meerderheidsregel. Dat aan de kant van verweerder sprake is van (begunstigend) beleid is gesteld noch gebleken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.
8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 21 december 2020 gedaan door mr. B. van Walderveen, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.