ECLI:NL:RBNHO:2020:10393

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 december 2020
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3853
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omzetbelasting wegens termijnoverschrijding

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019. Dit bezwaar is door de inspecteur van de Belastingdienst niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Eiseres stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank heeft eiseres bij aangetekende brief gewezen op de noodzaak om in het beroepschrift aan te geven op welke specifieke punten zij het niet eens is met de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar, conform artikel 6:5 Awb Pro. Eiseres heeft gereageerd, maar haar gronden betroffen inhoudelijke punten en niet de ontvankelijkheid van het bezwaar.

Hierdoor oordeelt de rechtbank dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 16 december 2020.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/3853

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2020 in de zaak tussen

[X] , eiseres
(gemachtigde: M.S.W.J. Beemster),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2020 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen de aanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 t/m 30 juni 2019 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft bij brief van 6 juli 2020 tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft bij aangetekende brief van
14 augustus 2020 eiseres erop gewezen dat de gronden van het beroep in ieder geval betrekking moeten hebben op het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Eiseres heeft bij brief van 10 september 2020 gereageerd. De rechtbank concludeert uit de ingediende stukken van eiseres dat deze inhoudelijke gronden betreffen en niet zien op het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaarschrift. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 16 december 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.