Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De verdere procedure
om een partnerbijdrage afgewezen. Voorts is de beslissing ten aanzien van de verdeling
pro forma aangehouden en bepaald dat de vrouw een formulier verdelen en verrekenen met onderbouwing dient te overleggen.
2.De verdere beoordeling
Ten eerste vanwege het feit dat de waarde van de goederen van de gemeenschap
in overwegende mate wordt beïnvloedt door gebruik door degene die het betreffende goed onder zich heeft. Ten tweede omdat door de inspanningen van één van partijen verricht na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, de ondernemingsactiviteiten (zowel ten aanzien van [BV 1] als [eenmanszaak] ) zijn gecontinueerd, zodat het niet redelijk is dat deze inspanningen in de betreffende onderneming ten goede komen aan de andere partij.
Bovendien is het volgens de man niet redelijk uit te gaan van de waarde op het moment van feitelijke verdeling, omdat de vrouw de verdeling telkens probeert uit te stellen en het in overwegende mate aan haar is toe te rekenen dat die nog niet heeft plaatsgevonden.
Gesteld noch gebleken is dat partijen een andere peildatum zijn overeengekomen.
De vraagt ligt nu voor, of op grond van de redelijkheid en billijkheid voor de waardering uit moet worden gegaan van 30 november 2018.
Dit leidt tot de conclusie dat voor wat betreft de hierna te noemen eenmanszaak en aandelen in de BV, als peildatum voor de waardering zal gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, 30 november 2018.
Voor de overige tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de datum van feitelijke verdeling.
€ 2.000 is ingeruild door de vrouw.
De vrouw dient in dit kader € 1.000 te betalen aan de man.
De man betwist dit en stelt dat de Tesla een lease auto is van de BV en dus geen onderdeel is van de huwelijksgemeenschap, bovendien heeft hij die na de peildatum in gebruik genomen.
Ook zijn partijen het er over eens dat het geld dat partijen voor de kinderen hebben gespaard op de op beider naam staande rekening met nummer [rekeningnummer] , voor de helft zal worden overgemaakt op een rekening op naam van [kind] en voor de helft op een rekening
op naam van [kind] .
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de op naam van beiden staande rekeningen zullen opheffen. De saldi van deze rekeningen moeten tussen hen bij helfte worden gedeeld, met uitzondering van het saldo van de rekening met nummer [rekeningnummer] .
Deze rekening zal dan ook hierna worden behandeld onder ad. d.
de rechten van de andere deelgenoot te verkorten.
Dit betekent dat de activa van de eenmanszaak [eenmanszaak] , waaronder het saldo op de bankrekening met nummer [rekeningnummer] , worden toebedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 4.376, onder de verplichting voor de vrouw € 2.188 te vergoeden aan de man.
De vrouw dient daarnaast de eventuele schulden van de eenmanszaak als haar eigen schulden te voldoen.
Dit betekent dat slechts de aandelen in [BV 1] tot de ontbonden huwelijksge-meenschap behoren en niet de aandelen in [BV 2] .
Ter onderbouwing legt hij een berekening over van accountant [accountant] , alsmede een beoordeling van onafhankelijk adviesbedrijf [adviesbedrijf] .
Uitgegaan zal dan ook worden van een waarde per 30 november 2018 van € 112.500 bruto, ofwel € 83.700 netto.
Nu niet is gebleken dat partijen vorenbedoelde overeenkomst hebben gesloten, zijn zij ieder draagplichtig voor de helft van de twee schulden bij [organisatie] .
Ter onderbouwing van deze stelling heeft de vrouw een door haar en haar ouders getekende verklaring overgelegd.
Nu de vrouw dit heeft nagelaten, zal haar verzoek terzake de lening worden afgewezen.
Ingevolge artikel 1:84 lid 1 BW Pro komen, indien het inkomen ontoereikend is, de kosten van de huishouding ten laste van het gemeenschappelijke vermogen van partijen zolang het huwelijk niet is ontbonden.
Door de vrouw is niet betwist dat de man het bedrag heeft aangewend voor het betalen van de huur van zijn woning, omdat hij zijn salaris aanwendde voor het betalen van de echtelijke woning en andere kosten van de huishouding. Aangezien de huur van de woning van de man tot de peildatum kosten van de huishouding betreft, althans andere noodzakelijke ten laste van de gemeenschap komende kosten, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van benadeling van de gemeenschap voor het door de vrouw gestelde bedrag.
Haar verzoek op dit punt zal dan ook in zoverre worden afgewezen.