ECLI:NL:RBNHO:2020:10794

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 december 2020
Publicatiedatum
16 december 2020
Zaaknummer
AWB - 20_2222
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:41 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de inspecteur van de Belastingdienst inzake invorderingskosten inkomstenbelasting 2015. Nadat verweerder het bezwaar van eiser gegrond had verklaard, heeft eiser het beroep ingetrokken en tegelijk verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb.

De rechtbank kwalificeert de reactie van verweerder als een aanvullend besluit waartegen het beroep mede was gericht. Omdat verweerder aan eiser is tegemoetgekomen, is het beroep ingetrokken met een verzoek tot proceskostenvergoeding. Verweerder heeft in het verweerschrift erkend dat eiser recht heeft op vergoeding met een wegingsfactor van 0,5.

De rechtbank wijst het verzoek toe en veroordeelt verweerder tot vergoeding van €262,50 aan proceskosten en €48 griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. van As zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de inspecteur van de Belastingdienst tot betaling van €262,50 aan proceskosten en €48 griffierecht na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

zittingsplaats Haarlem
Sector bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/2222

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2020 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Klaver),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 5 maart 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser, inzake de invorderingskosten op de aanslag inkomstenbelasting 2015, gegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 26 augustus 2020 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft het beroep bij brief van 2 september 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij brief van 3 september 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft niet gereageerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. De rechtbank is van oordeel dat de reactie van verweerder in het verweerschrift van 26 augustus 2020 als een aanvullend besluit moet worden gekwalificeerd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de reactie van 26 augustus 2020. De rechtbank stelt daarom vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat eiser tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
4. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 26 augustus 2020 op het standpunt gesteld dat eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding voor het beroep waarbij aan de zaak een gewicht dient te worden toegekend van 0,5 punt.
5. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toewijzen.
6. De kosten die eiser vergoedt wenst te zien, hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift met een wegingsfactor 0,5 aangezien het beroep uitsluitend is gericht tegen het niet nemen van een beslissing inzake de proceskostenvergoeding).
7. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiser betaalde griffierecht van € 48 te worden vergoed door verweerder.

BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.