Opposant had beroep ingesteld tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposant verzet in.
In de verzetprocedure beoordeelde de rechtbank of het buiten redelijke twijfel stond dat het beroep niet-ontvankelijk was. De rechtbank kon niet met zekerheid vaststellen wanneer de nota griffierecht was verzonden en achtte aannemelijk dat het verzoek om vrijstelling tijdig was ingediend.
Opposant overlegde een uitkeringsspecificatie waaruit bleek dat hij alleenstaand was en geen vermogen had, waardoor zijn inkomen onder de norm voor vrijstelling viel. De rechtbank wees het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe, verklaarde het verzet gegrond en heropende de zaak voor inhoudelijke behandeling op zitting.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter Efstratiades op 9 oktober 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.