Uitspraak
Rechtbank noord-holland
1.Object
1.Toegepaste methodiek
2.Referenties
2.2. Gegevens object
2.3. Bevindingen naar aanleiding van het onderzoek
€ 10.803
€ 28.692
Rechtbank Noord-Holland
Eiser en zijn echtgenote zijn gezamenlijk eigenaar van een pand dat zij in 2009 kochten en verbouwden. Het pand werd deels verhuurd aan een BV waarin zij beiden aandeelhouder zijn, en deels als short stay accommodatie. In 2013 werd het pand ingebracht in een VOF.
De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 op, welke na bezwaar werd verminderd. Eiser stelde beroep in tegen de aanslag en betwistte de waarde van het pand per begin en einde terbeschikkingstelling (TBS). Diverse taxatierapporten en waardebepalingen werden overgelegd, waarbij de rechtbank oordeelde dat de waarde bij aanvang van de TBS op € 684.753 moet worden gesteld en bij het einde op € 1.150.000.
De rechtbank verwierp het lagere taxatierapport van eiser en volgde de waardering van de Rijkstaxateur, rekening houdend met de bestemming van het pand. De stakingswinst werd vastgesteld op € 180.050, waaruit een belastbaar inkomen uit TBS van € 79.222 volgt na toepassing van de vrijstelling.
De navorderingsaanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.160. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en veroordeelde de Belastingdienst in de proceskosten van € 550.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.160 en het beroep van eiser wordt gegrond verklaard.