Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de korpschef van politie, verweerder
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
1 oktober 2018 ingetrokken en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Overwegingen
7 maanden, te weten vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 19 maart 2018 tot het bestreden besluit 26 september 2018 (verzonden op 1 oktober 2018) worden toegerekend aan de bezwaarfase en een periode van 26 maanden, te weten vanaf het bestreden besluit tot de uitspraak van de rechtbank op 8 december 2020 worden toegerekend aan de beroepsfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet dan ook een periode van (7 – 6 =) 1 maand worden toegerekend aan verweerder en een periode van (26 – 18 =) 8 maanden aan de Staat. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding voor deze fase van de procedure 1/9 deel van € 1.000,- te betalen (€ 111,11) en de Staat 8/9 deel (€ 888,89).