ECLI:NL:RBNHO:2020:1142
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vernietiging non-concurrentiebeding wegens ontbreken zwaarwegend belang
Eiser trad in 2015 in dienst bij gedaagde en had een non-concurrentiebeding dat hem verbood om gedurende twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst op Texel concurrerende activiteiten te verrichten. Na zijn vertrek in 2018 trad eiser in dienst bij een concurrerende bank, waar hij bestaande klanten op Texel wilde beheren. Eiser vorderde vernietiging van het beding wegens onbillijke benadeling, stellende dat hij weinig ervaring had opgedaan, geen particuliere klanten zou benaderen en geen concurrentie zou vormen.
Gedaagde betwistte dit en stelde dat de Rabobank wel degelijk een grote concurrent is en dat eiser de opgedane kennis en opleiding gebruikte om klanten weg te halen. De kantonrechter oordeelde dat eiser niet onbillijk wordt benadeeld omdat hij vrij is om te werken bij de werkgever van zijn keuze, zij het met extra reistijd, en dat de belangen van gedaagde bij bescherming tegen concurrentie op Texel zwaar wegen.
De kantonrechter vond onvoldoende onderbouwing voor de stellingen van eiser over beperkte doorgroeimogelijkheden en onbillijke benadeling. Ook werd geen reden gezien om het beding te beperken in duur of omvang. De vordering werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot vernietiging van het non-concurrentiebeding wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.