AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen vernietiging vergunning op grond van Wet natuurbescherming met toepassing PAS afgewezen
De rechtbank Noord-Holland behandelde het verzet van opposanten tegen de vernietiging van een vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). De vergunning was verleend door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland op 9 januari 2019 met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS).
In een eerdere buiten-zittinguitspraak had de rechtbank het beroep tegen deze vergunning gegrond verklaard en het besluit vernietigd, mede op basis van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, waarin het PAS ongeldig werd verklaard wegens strijd met artikel 6 vanPro de Habitatrichtlijn. Opposanten stelden dat de vergunning rechtsgeldig was verleend onder de toen geldende regels en dat de vernietiging met terugwerkende kracht onrechtvaardig was.
De rechtbank oordeelde dat de vergunning nog niet onherroepelijk was en dat de ongeldigheid van het PAS betekent dat vergunningen die daarop zijn gebaseerd niet in stand kunnen blijven. Er was geen ruimte om dit gebrek in beroep te herstellen. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de vernietiging van de vergunning in stand blijft en een nieuw besluit moet worden genomen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzet tegen de vernietiging van de vergunning wordt ongegrond verklaard en de vernietiging blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/534
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2020 op het verzet van
Maatschap [opposanten] , te [plaats] , opposanten.
Procesverloop
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu (hierna gezamenlijk genoemd: MOB), hebben beroep ingesteld tegen de door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: het college) bij besluit van 9 januari 2019 aan opposanten verleende vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet Natuurbescherming (Wnb).
Bij uitspraak van 3 september 2019 (hierna: de buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht het beroep zonder het houden van een zitting gegrond verklaard en het besluit van 9 januari 2019 vernietigd.
Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposanten hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2019. Opposanten zijn verschenen. Het college is vertegenwoordigd door mr. F. Sassen. MOB is niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat (bijvoorbeeld kennelijk gegrond is). De rechtbank heeft het beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) kennelijk gegrond geacht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in die uitspraak onder meer onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, overwogen: Een Wnb-vergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied dat in het Programma aanpak stikstof (PAS), zijnde een besluit van algemene strekking, is opgenomen, kon niet worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt (zie overweging 34.2).
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is.
3. Opposanten zijn het met de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van de vergunning niet eens. Zij wijzen erop dat de vergunning is verleend op grond van de ten tijde van de verlening op 9 januari 2019 geldende regels, waaronder het PAS. Verder voeren zijn aan dat de vergunning zes weken ter inzage heeft gelegen en dat de daartegen door MOB ingebrachte bezwaren door het college zijn afgewezen. In de buiten-zittinguitspraak is aangegeven dat de regels van de PAS niet voldoen aan de eisen uit artikel 6 vanPro de Habitatrichtlijn. Er zijn veel vergunningen uitgegeven onder deze wetgeving. Het kan, aldus eisers, toch niet zo zijn dat de vergunning niet meer volgens deze wetgeving kan worden uitgegeven, en het kan toch niet zo zijn dat de regels met terugwerkende kracht worden gewijzigd.
4. Met hun stellingen dat de tegen de vergunning aangebrachte bezwaren door het college zijn afgewezen, gaan opposanten er aan voorbij dat de aan hen verleende vergunning nog niet onherroepelijk was geworden en daar nog beroep tegen kon worden ingesteld. Een van de gronden die in beroep aan de orde kan worden gesteld, betreft de vraag of de wetgeving waarop de verleende vergunning is gebaseerd geldig is of niet. Hangende het beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de hiervoor reeds genoemde uitspraak van 29 mei 2019 geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 vanPro de Habitatrichtlijn voortvloeien. Het PAS zelf heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in strijd met hogere wetgeving en daarom ongeldig geacht. Dit heeft tot gevolg dat vergunningen voor de veehouderij die met toepassing van het PAS onder verwijzing naar de genoemde passende beoordeling zijn verleend en nog niet onherroepelijk waren geworden, niet op een toereikende grondslag zijn gebaseerd en in daartegen ingestelde beroepszaken reeds daarom niet in stand kunnen blijven. De rechtbank ziet geen ruimte de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State anders uit te leggen. Om die reden is er in dit beroep geen andere uitkomst mogelijk dan dat het besluit waarbij aan opposanten vergunning voor hun veehouderij met toepassing van het PAS is verleend, wordt vernietigd. Er is ook geen mogelijkheid om dit gebrek in beroep te herstellen. Buiten redelijke twijfel is daarom dat het beroep niet anders dan gegrond moet worden verklaard. In hetgeen opposanten in hun verzetschrift verder hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de buiten-zittinguitspraak. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft. Het gevolg is, zoals in die uitspraak al is overwogen, dat de aanvraag opnieuw openvalt en verweerder, eventueel na nader onderzoek, een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van N. Joachim, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 januari 2020.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.