ECLI:NL:RBNHO:2020:11811

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 december 2020
Publicatiedatum
16 juni 2021
Zaaknummer
8092479 CV EXPL 19-15124
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 lid 1 RvArt. 128 lid 3 RvVerordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot overlegging toereikende procesvolmacht in luchtvaartcompensatiezaak

De passagier vordert compensatie van €600 wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder betwist de vordering en voert als aanvullend verweer dat de gemachtigde van de passagier geen geldige volmacht heeft om namens de passagier te procederen.

De kantonrechter oordeelt dat het aanvullende verweer niet gepasseerd kan worden omdat het gebaseerd is op nieuwe jurisprudentie waar de vervoerder eerder niet van op de hoogte was. Gezien de overeenkomsten met een eerdere zaak, wordt de gemachtigde van de passagier bevolen een toereikende procesvolmacht te overleggen.

De verdere beslissing wordt aangehouden totdat de procesvolmacht is overgelegd. Dit bevel is gegeven op grond van artikel 22 lid 1 Rv Pro. De zaak betreft een civiele procedure over compensatie bij vluchtvertraging.

Uitkomst: De gemachtigde van de passagier wordt bevolen een toereikende procesvolmacht te overleggen, verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8092479 CV EXPL 19-15124
Uitspraakdatum: 30 december 2020
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde mr. D.E. Lof
tegen
de buitenlandse vennootschap
Finnair OYj
gevestigd te Helsinki, Finland
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde mr. T. Teke

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 15 augustus 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft vervolgens schriftelijk gereageerd in de hoofdzaak, waarna de passagier een schriftelijke reactie heeft gegeven waar de vervoerder vervolgens nog op heeft gereageerd.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Suvarnabhumi Airport, Bangkok via Helsinki-Vantaa Airport naar Amsterdam-Schiphol Airport op 9 juni 2019.
2.2.
De vlucht heeft vertraging opgelopen waardoor de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen.
2.3.
AirHelp heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
2.4.
Namens Airhelp heeft gemachtigde op 1 juli 2019 de vervoerder schriftelijk aangemaand tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Op haar verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
De vervoerder voert als primair en meest verstrekkend verweer onder meer aan dat de in de dagvaarding genoemde gemachtigde van de passagier naar alle waarschijnlijkheid handelt op instructie van AirHelp Ltd en geen volmacht heeft van de passagier om op diens naam en voor diens risico een procedure aanhangig te maken. De vervoerder heeft de kantonrechter verzocht om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 22 Rv Pro en de gemachtigde te bevelen een volmacht van de passagier in het geding te brengen. De vervoerder heeft dit verweer bij wijze van aanvullend verweer eerst bij conclusie van dupliek gevoerd. Daarom dient de kantonrechter te beoordelen of dit verweer al dan niet als in strijd met de eis van concentratie van verweer (artikel 128 lid 3 Rv Pro) moet worden gepasseerd. Ter onderbouwing van het aanvullend verweer heeft de vervoerder verwezen naar een vonnis van deze rechtbank van 18 maart 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:1995). De vervoerder kan niet worden tegengeworpen dat zij in haar conclusie van antwoord van 11 maart 2020 nog niet bekend was met hetgeen in het genoemde vonnis is overwogen ten aanzien van de procesvolmacht van de gemachtigde van de passagier. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat het aanvullende verweer niet kan worden gepasseerd. De onderhavige zaak vertoont ten aanzien van de vraag op wiens instructie en met wiens volmacht de gemachtigde optreedt, overeenkomsten met de zaak waarover het genoemde vonnis van 18 maart 2020 is gewezen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om, gebruikmakend van zijn bevoegdheid ex artikel 22 lid 1 Rv Pro, de gemachtigde van de passagier te bevelen een toereikende procesvolmacht in het geding te brengen.
5.3.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
beveelt de gemachtigde van de passagier, mr. D.E. Lof, om op grond van artikel 22 lid 1 Rv Pro uiterlijk vóór
27 januari 2021bij akte een toerekende procesvolmacht in het geding te brengen;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter