ECLI:NL:RBNHO:2020:11871

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 februari 2020
Publicatiedatum
25 oktober 2022
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4069
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:57 AwbArt. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens strijd met Awb

De zaak betreft een beroep tegen een besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven waarin een bezwaar van eiseres ongegrond werd verklaard. Na een tussenuitspraak van de rechtbank waarin een gebrek in het bestreden besluit werd vastgesteld, heeft verweerster het besluit hersteld met een aanvullend besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep zich niet mede richt tegen het aanvullend besluit omdat eiseres daartegen geen gronden heeft aangevoerd.

De rechtbank bevestigt dat het oorspronkelijke besluit strijdig is met de artikelen 7:2 juncto 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vernietigt dit besluit. Omdat het gebrek is hersteld door het aanvullend besluit, hoeft geen nieuw besluit te worden genomen. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerster tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, waaronder een vergoeding van €10,80 voor reiskosten en het betaalde griffierecht van €170.

De rechtbank benadrukt dat de uitkering uit het Schadefonds een voorwaardelijk en tegemoetkomend karakter heeft en dat verrekening van schadevergoeding door de dader met de uitkering niet onredelijk is. De uitspraak is gedaan door rechter J.M. Janse van Mantgem en griffier L. Smit op 14 februari 2020 in Alkmaar.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 18/4069

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.A.J. Kock),
en

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerster

(gemachtigde: mr. Y Pieters).

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 4 september 2019.
Bij tussenuitspraak van 4 september 2019 heeft de rechtbank verweerster in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Verweerster heeft bij brief van 12 september 2019 meegedeeld dat van de gelegenheid tot herstel van de gebreken in het bestreden besluit gebruik zal worden gemaakt.
Bij het aanvullend besluit van 1 november 2019 (besluit II) heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Bij brief van 17 december 2019 heeft eiseres haar zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.
De rechtbank heeft op 21 januari 2020, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak onder 4.5 overwogen dat verweerster het bezwaar van eiseres niet kennelijk ongegrond heeft kunnen achten en niet heeft kunnen afzien van horen op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, omdat eiseres in bezwaar gemotiveerd heeft aangevoerd dat verrekening onredelijk is en het primair aan verweerster is om te bepalen of dit standpunt al dan niet juist is.
3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerster eiseres gehoord en besluit II genomen waarbij hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht is betrokken. Het is verweerster duidelijk dat eiseres een zeer heftige periode heeft meegemaakt en dat zij daar nog steeds de gevolgen van ondervindt. De uitkering uit het Schadefonds is bedoeld als een tegemoetkoming in de geleden schade en is een uiting van maatschappelijke solidariteit met eiseres als slachtoffer. Het is volgens verweerster niet de bedoeling van de wetgever geweest om een wettelijke regeling te creëren op basis waarvan schade wordt vergoed in plaats van vergoeding door de dader of op basis waarvan een aanvulling wordt gegeven op een door de dader betaalde schadevergoeding. De uitkering heeft uitdrukkelijk een voorwaardelijk en tegemoetkomend karakter. Dit brengt met zich mee dat de onredelijkheid van een verrekening niet gelegen kan zijn in de omstandigheid dat de daadwerkelijk geleden schade, of in de toekomst nog te lijden schade, hoger is dan de schadevergoeding die de dader aan het slachtoffer moet betalen. Gelet hierop ziet verweerster op de gronden die eiseres heeft aangevoerd niet af van verrekening. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de situatie van eiseres niet onredelijk is om de schadevergoeding die zij van de dader ontvangt te verrekenen met de uitkering uit het Schadefonds.
4. Op grond van het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit II, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Eiseres heeft bij brief van 17 december 2019 toegelicht dat, nu zij is uitgenodigd voor een hoorzitting en de beslissing is gemotiveerd, er geen sprake is van een gebrek in besluit II. Eiseres heeft hiertegen dan ook geen gronden aangevoerd. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het beroep zich niet mede richt tegen besluit II.
5. Nu het bestreden besluit een gebrek bevatte is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, zoals in de tussenuitspraak is overwogen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:2 juncto Pro 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Omdat het gebrek door besluit II is hersteld, hoeft verweerster geen nieuw besluit te nemen op het bezwaar.
6. De rechtbank vindt in de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van gemaakte reiskosten om met haar gemachtigde in gesprek te gaan om de zitting te kunnen bijwonen. Artikel 1, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voorziet in de mogelijkheid reis- en verblijfkosten te vergoeden aan een partij of een belanghebbende. Dit betreft de kosten om een zitting te kunnen bijwonen. Reiskosten voor het bezoeken van een gemachtigde komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor de hoogte van de reiskosten geldt het tarief van artikel 11, eerste lid, onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. De hoogte van dit tarief is gelijk aan de hoogte van de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse of een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer als openbaar vervoer niet mogelijk is. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding de vergoeding voor reiskosten vast te stellen op € 10,80 (dagretour tweede klas Hoorn-Alkmaar). Van andere proceskosten is niet gebleken.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerster aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 10,80.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.