De zaak betreft een beroep tegen een besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven waarin een bezwaar van eiseres ongegrond werd verklaard. Na een tussenuitspraak van de rechtbank waarin een gebrek in het bestreden besluit werd vastgesteld, heeft verweerster het besluit hersteld met een aanvullend besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep zich niet mede richt tegen het aanvullend besluit omdat eiseres daartegen geen gronden heeft aangevoerd.
De rechtbank bevestigt dat het oorspronkelijke besluit strijdig is met de artikelen 7:2 juncto 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vernietigt dit besluit. Omdat het gebrek is hersteld door het aanvullend besluit, hoeft geen nieuw besluit te worden genomen. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerster tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, waaronder een vergoeding van €10,80 voor reiskosten en het betaalde griffierecht van €170.
De rechtbank benadrukt dat de uitkering uit het Schadefonds een voorwaardelijk en tegemoetkomend karakter heeft en dat verrekening van schadevergoeding door de dader met de uitkering niet onredelijk is. De uitspraak is gedaan door rechter J.M. Janse van Mantgem en griffier L. Smit op 14 februari 2020 in Alkmaar.