ECLI:NL:RBNHO:2020:11899

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2020
Publicatiedatum
2 augustus 2024
Zaaknummer
C/15/295073 / HA ZA 19-669
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:401 BWArt. 7:402 BWArt. 7:403 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verstekvonnis inzake afwikkeling opdracht tot verkoop van paarden

In deze civiele zaak stond de afwikkeling van een opdracht tot verkoop van paarden centraal. [Gedaagden in verzet] had aan [eiseres in verzet] opdracht gegeven meerdere paarden en tuig te verkopen, waarbij [eiseres in verzet] onvoldoende inzicht gaf in de verkooptransacties en opbrengsten. Ondanks vorderingen tot betaling, afgifte van tuig en verantwoording, weigerde [eiseres in verzet] voldoende bewijs te leveren over de verkoop en afdracht.

De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst een opdracht betreft waarbij de opdrachtnemer verplicht is als een goed opdrachtnemer te handelen en verantwoording af te leggen. De door [gedaagden in verzet] overgelegde WhatsApp-berichten werden als authentiek beschouwd en ondersteunden diens stellingen over de verkoop en het gebrek aan afdracht. [Eiseres in verzet] betwistte slechts beperkt en leverde onvoldoende bewijs ter onderbouwing van haar stellingen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd. Tevens werd [eiseres in verzet] veroordeeld in de kosten van het verzet. De rechtbank stelde de dwangsommen en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze uitspraak benadrukt het belang van transparantie en verantwoording bij opdrachten tot verkoop en bevestigt dat onvoldoende bewijs en betwisting leiden tot bekrachtiging van eerdere vonnissen.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd met veroordeling in kosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/295073 / HA ZA 19-669
Vonnis in verzet van 1 juli 2020 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[gedaagde 1 in verzet] ,

2.
[gedaagde 2 in verzet],
beide wonende te [woonplaats] ,
eisers,
gedaagden in het verzet,
advocaat mr. S.A. Wensing te Emmen,
tegen
[eiseres in verzet],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
eiseres in het verzet,
advocaat mr. G.C. Haulussy te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [gedaagden in verzet] en [eiseres in verzet] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 22 januari 2020;
  • het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2019 met de daarin genoemde (aanvullende) stukken;
  • de brief van mr. Wensing van 23 juni 2020 (die geen aanleiding geeft tot een reactie).
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[gedaagden in verzet] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. [eiseres in verzet] veroordeelt tot betaling aan [gedaagden in verzet] € 16.000,00 te betalen voor de paarden ‘Ulrike C’ en ‘Haske’, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
II. [eiseres in verzet] te veroordeelt tot betaling aan [gedaagden in verzet] van € 850,00 voor het verkochte tweespantuig, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
III. [eiseres in verzet] gebiedt om binnen 5 dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of dagdeel dat [eiseres in verzet] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 250.000,00, althans een zodanig bedrag zoals de rechtbank in goede justitie moge behagen, rekening en verantwoording af te leggen over de paarden ‘Kelly’, ‘Fácán’ ‘Ulrike C.’, ‘Klaske’ en ‘Ymke’, en aldus over te gaan tot het verstrekken van afschriften en/of inzage in de correspondentie/bewijsstukken waaruit blijkt aan wie de paarden zijn verkocht en voor welk bedrag;
IV. [eiseres in verzet] veroordeelt tot afgifte van het eenspantuig en het tweespantuig binnen 5 dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [eiseres in verzet] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,00 euro, althans een zodanig bedrag zoals de rechtbank in goede justitie moge behagen;
V. [eiseres in verzet] veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten van € 935,00;
VI. [eiseres in verzet] veroordeelt in de kosten van dit geding.
2.2.
Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [gedaagden in verzet] toegewezen behoudens ten aanzien van de gevorderde dwangsommen. De dwangsom betreffende het gevorderde onder III. heeft de rechtbank gematigd tot een bedrag van € 1.000,00 per dag of dagdeel met een maximum te verbeuren dwangsom van € 150.000,00. De dwangsom betreffende het gevorderde onder IV. heeft de rechtbank gematigd tot een bedrag van € 250,00 per dag of dagdeel met een maximum te verbeuren dwangsom van € 3.000,00.
[eiseres in verzet] is veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden in verzet] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 1.929,06.
2.3.
[eiseres in verzet] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [gedaagden in verzet] alsnog worden afgewezen.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiseres in verzet] in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.
3.2.
[gedaagden in verzet] heeft, samengevat, het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.
[gedaagden in verzet] heeft aan [eiseres in verzet] opdracht gegeven om een aantal paarden, te weten ‘Kelly’, ‘Fácán’ ‘Ulrike C.’, ‘Klaske’ en ‘Ymke’, die eigendom waren van [gedaagden in verzet] te verkopen. Deze paarden stonden ook in de stal bij [eiseres in verzet] . Daarnaast heeft [gedaagden in verzet] aan [eiseres in verzet] afgegeven 2 tweespantuigen en 1 eenspantuig om ook die voor [gedaagden in verzet] te verkopen. Als loon voor de verkoopbemiddeling en het op stal houden van de paarden heeft [gedaagden in verzet] het paard ‘Fanni’ aan [eiseres in verzet] overgedragen. Uit het WhatsApp-contact tussen [gedaagden in verzet] en [eiseres in verzet] is gebleken dat de genoemde paarden en 1 tweespantuig door [eiseres in verzet] zijn verkocht.
In 2017 is het paard ‘Ymke’ verkocht. [eiseres in verzet] heeft dit met [gedaagden in verzet] afgerekend, maar zij weigert [gedaagden in verzet] inzicht te geven aan wie zij het paard heeft verkocht. [eiseres in verzet] heeft wel gesteld dat het paard is verkocht aan de heer [naam 1] te [woonplaats] , maar daarmee is geen contact te krijgen. Er is daarom gegronde twijfel over de juistheid van die mededeling.
De paarden ‘Kelly’ en ‘Fácán’ zouden in 2017 verkocht zijn naar China. [eiseres in verzet] heeft hiervoor contant tweemaal € 4.000,00 aan [gedaagden in verzet] betaald. Er is evenwel geen rekening en verantwoording afgelegd en [gedaagden in verzet] weet niet of de afgerekende koopsom correct is.
Over de paarden ‘Ulrike C.’ en ‘Klaske’ heeft [eiseres in verzet] in oktober 2017 aan [gedaagden in verzet] laten weten dat deze zijn verkocht naar Australië en daar zijn aangekomen. [eiseres in verzet] zou hiervoor € 15.000,00 aan [gedaagden in verzet] overmaken maar heeft dat niet gedaan. Op onverklaarbare wijze deelde [eiseres in verzet] in december 2017 aan [gedaagden in verzet] mee dat zij van de koop had afgezien omdat er geen betaling kwam en dat de twee paarden weer bij [eiseres in verzet] op stal stonden. Uiteindelijk berichtte [eiseres in verzet] [gedaagden in verzet] in juni 2018 dat ‘Ulrike C.’ voor € 7.500,00 was verkocht. ‘Klaske’ was verkocht voor € 8.500,00. Ook heeft [eiseres in verzet] toen een tweespantuig verkocht voor € 850,00. [eiseres in verzet] heeft de verkoopopbrengst voor deze twee paarden en het tweespantuig niet aan [gedaagden in verzet] afgedragen en verder geen rekening en verantwoording van haar opdracht aan [gedaagden in verzet] gedaan.
Krachtens artikel 7:401 en Pro 7:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) diende zij haar werkzaamheden als een goed opdrachtnemer uit te voeren en aanwijzingen van [gedaagden in verzet] op te volgen. Krachtens artikel 7:403 BW Pro dient [eiseres in verzet] rekening en verantwoording aan [gedaagden in verzet] af te leggen. Dat heeft zij geweigerd. [gedaagden in verzet] is door [eiseres in verzet] bedrogen en er is sprake van dwaling aan de zijde van [gedaagden in verzet] . Ook is de vraag waar het resterende eenspantuig en tweespantuig zijn die [gedaagden in verzet] aan [eiseres in verzet] had afgegeven voor de verkoop. [eiseres in verzet] dient deze af te geven. Tevens is sprake van ongerechtvaardigde verrijking. [eiseres in verzet] heeft immers ongerechtvaardigd de verkoopopbrengst behouden, waardoor [gedaagden in verzet] is verarmd.
3.3.
[eiseres in verzet] heeft haar verweer beperkt tot een tweetal formele verweren (die de rechtbank heeft verworpen in het incidentele vonnis van 22 januari 2020) en een vrij algemene betwisting van de door [gedaagden in verzet] gestelde. Zo zou de dagvaarding veel slordigheden en fouten bevatten. Concreet heeft [eiseres in verzet] slechts aangevoerd dat ‘Ulrike C’ en ‘Klaske’ niet door [eiseres in verzet] in juni 2018 zijn verkocht voor respectievelijk
€ 7.500,00 en € 8.500,00 maar in 2017 voor respectievelijk € 5.000,00 en € 3.750,00. [eiseres in verzet] heeft daarbij als productie kopieën van bankbijschrijvingen overgelegd. Verder betwist [eiseres in verzet] dat de tweespantuigen aan haar zijn afgegeven. Volgens [eiseres in verzet] heeft zij [gedaagden in verzet] voldoende inzicht gegeven in de verkoop en opbrengst daarvan.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De overeenkomst tussen partijen is een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW Pro). Volgens artikel 7:401 BW Pro moet de opdrachtnemer ( [eiseres in verzet] ) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen. Op grond van art. 7:403 lid 2 BW Pro is de opdrachtnemer verplicht om aan de opdrachtgever ( [gedaagden in verzet] ) verantwoording af te leggen over de wijze waarop hij zich van zijn opdracht heeft gekweten en rekening te doen van de ten laste van opdrachtgever uitgegeven en ten gunste van hem ontvangen gelden. Die rekening en verantwoording gaat verder dan het enkel overleggen van een bankoverschrijving.
3.5.
[gedaagden in verzet] heeft in de (verstek)dagvaarding uitvoerig uiteengezet wat er (volgens hem) is gebeurd en zijn betoog onderbouwd met een uitdraai van WhatsApp-gesprekken tussen en hem en [eiseres in verzet] die vele bladzijden lang is en meerdere jaren bestrijkt. De rechtbank constateert dat de verwijzingen die [gedaagden in verzet] heeft gedaan naar die WhatsApp-gesprekken aansluiten bij de stellingen die hij daarover heeft ingenomen. Dat geldt ook voor zijn stellingen over de gang van zaken rond ‘Ulrike C’ en ‘Klaske’ (overigens per abuis in de dagvaarding ook ‘Haske’ genoemd).
Daarmee tijdens de comparitie geconfronteerd, heeft [eiseres in verzet] als nieuwe stelling ingenomen dat die WhatsApp-gesprekken “
een bijeenraapsel van allerlei berichten die met elkaar zijn gecombineerd” zouden zijn. Enige onderbouwing voor die vergaande stelling heeft [eiseres in verzet] echter niet gegeven. Dat had gekund door bijvoorbeeld haar eigen gesprekslijst uit WhatsApp in het geding te brengen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de door [gedaagden in verzet] overgelegde WhatsApp-gesprekken authentiek zijn. In dat licht bezien, is ongeloofwaardig dat [eiseres in verzet] ‘Ulrike C’ en ‘Klaske’ al in 2017 heeft verkocht voor de door haar genoemde bedragen.
Dat de 2 tweespantuigen en het eenspantuig nooit aan [eiseres in verzet] zijn afgegeven, is evenmin geloofwaardig. Zo heeft [eiseres in verzet] op 28 juni 2018 expliciet (via WhatsApp) aan [gedaagden in verzet] bericht dat de koper van ‘Ulrike C’ en ‘Klaske’ ook een tweespantuig koopt. Niet valt in te zien (en [eiseres in verzet] heeft daar ook geen uitleg over gegeven) hoe die verkoop kon plaatsvinden zonder dat [eiseres in verzet] dat tweespantuig onder zich had. Nu [eiseres in verzet] op dit punt niet de waarheid spreekt, gaat de rechtbank er van uit dat zij ook het andere tweespantuig en het eenspantuig van [gedaagden in verzet] onder zich had en heeft.
3.6.
Bij gelegenheid van de comparitie heeft [eiseres in verzet] ook een bankoverschrijving overgelegd waaruit zou moeten blijken dat ‘Kelly’ en ‘Fácán’ zijn verkocht aan de heer [naam 2] voor € 9.000,00. Volgens [eiseres in verzet] zou die als tussenpersoon voor de nieuwe Chinese eigenaren hebben opgetreden. Echter, enige verdere onderbouwing van de juistheid hiervan heeft [eiseres in verzet] niet overgelegd. Die onderbouwing had [eiseres in verzet] wel kunnen geven door, bijvoorbeeld, overlegging van stukken uit haar boekhouding en/of de adresgegevens van deze tussenpersoon. Niet uitgesloten kan worden dat een deel van de koopsom contant is betaald. Een enkele bankoverschrijving kan niet worden beschouwd als voldoende verantwoording voor de verkoop.
3.7.
Dat [eiseres in verzet] alle ontvangen bedragen aan [gedaagden in verzet] heeft afgedragen, zoals ze ook pas ter comparitie heeft aangevoerd, heeft [eiseres in verzet] evenmin onderbouwd door - opnieuw bijvoorbeeld - het overleggen van bescheiden uit haar administratie. Ook aan die stelling gaat de rechtbank daarom voorbij.
3.8.
De conclusie is dat [eiseres in verzet] de vorderingen van [gedaagden in verzet] onvoldoende heeft betwist. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe. Het verstekvonnis zal worden bekrachtigd.
3.9.
[eiseres in verzet] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen. De kosten worden aan de zijde van [gedaagden in verzet] tot op heden begroot op € 914,00 wegens kosten advocaat.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
bekrachtigt het door deze rechtbank op 31 juli 2019 onder zaaknummer / rolnummer 290567 / HA ZA 19-434 gewezen verstekvonnis,
4.2.
veroordeelt [eiseres in verzet] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [gedaagden in verzet] tot op heden begroot op € 914,00,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2020. [1]

Voetnoten

1.type: JG