Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.InleidingIn november 2016 is namens Ahold Delhaize aangifte gedaan van afpersing. Op 3 november 2016 heeft het supermarktconcern een e-mail ontvangen waarin het is gesommeerd op korte termijn een bedrag van € 377.777,-- te betalen. Bij niet tijdige betaling zou een zeer giftige stof worden ingebracht in producten in winkels van Albert Heijn. Volgens de e-mail zouden levens van klanten op het spel staan. Naar aanleiding hiervan is een grootschalig (cyber)onderzoek gestart om de identiteit van de afzender te achterhalen. Uit onderzoek op het darkweb is verdachte in beeld gekomen. Gedurende het onderzoek is tevens de verdenking ontstaan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen en voorhanden hebben van onder meer templates voor het namaken van bankbiljetten en aan een oplichting van Apple. De vraag die – in de kern – voorligt, is of de in het dossier aangedragen feiten en omstandigheden en het verhandelde ter terechtzitting voldoende redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte zich aan deze strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
4.Beoordeling van het bewijs
5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
6.Strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de sanctie
8.Vordering benadeelde partij
9.(Geschorste) voorlopige hechtenis en de borgsom
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
2 (twee) jaren, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
1 (één) jaar,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op
3 (drie) jarenbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
[benadeelde partij]niet-ontvankelijk in de vordering.