ECLI:NL:RBNHO:2020:1785

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 januari 2020
Publicatiedatum
10 maart 2020
Zaaknummer
15/239158-19
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a lid 3 SvWet forensische zorgWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over schorsing voorlopige hechtenis en zorgmachtiging in strafzaak

In deze strafzaak heeft de verdediging verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. De officier van justitie verzette zich hiertegen en vroeg de rechtbank ambtshalve te beoordelen of een zorgmachtiging op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) in samenhang met de Wet forensische zorg (Wfz) een maatregel is als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank overwoog dat een zorgmachtiging, die naar verwachting tot vrijheidsbeneming leidt, inderdaad onder de reikwijdte van artikel 67a lid 3 Sv valt. Hierdoor is de situatie van die bepaling niet van toepassing op de huidige voorlopige hechtenis, zodat geen ambtshalve ingrepen in de voorlopige hechtenis noodzakelijk zijn.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen omdat ondanks enige verbetering bij de verdachte het gevaar voor herhaling blijft bestaan en er onvoldoende concrete voorzieningen zijn om het recidivegevaar te beperken.

De rechtbank benadrukte dat het aan de officier van justitie staat om op elk moment opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis te vorderen en dat ook de verdachte zelf de strafrechter kan benaderen met een dergelijk verzoek. De procedure voor een zorgmachtiging is door het Openbaar Ministerie in gang gezet, maar de rechtbank ziet geen grond om zich uit te spreken over welke rechter uiteindelijk over het verzoek zal beslissen.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/239158-19
Overwegingen ambtshalve en beslissing op het verzoek schorsing voorlopige hechtenis
Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
,
thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad.
In de zaak tegen verdachte [verdachte] is ter terechtzitting van 17 januari 2020 door de verdediging verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen onder voorwaarden. De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van de voorlopige hechtenis en benadrukt dat de rechtbank zich ambtshalve altijd moet afvragen of de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zich voordoet. Aan de rechtbank is daarbij gevraagd om te overwegen en te beslissen ten aanzien van de vraag of een zorgmachtiging op basis van de Wfz in samenhang met de Wvggz een maatregel als bedoeld in die bepaling is.
De rechtbank overweegt en beslist als volgt:
- De rechtbank is van oordeel dat het van belang is om de uiteenlopende juridische kaders te onderscheiden en om nodeloze complicaties te vermijden.
- Met betrekking tot de vraag of artikel 67a, lid 3 Sv aan de orde is overweegt de rechtbank ambtshalve, op suggestie van de officier van justitie, dat, gelet op de inhoud van de rapporten van de psycholoog en de psychiater, een verzoek van de officier van justitie tot afgifte van een zorgmachtiging krachtens de Wvggz in het verschiet ligt. Dat verzoek zal naar verwachting mede strekken tot een vorm van vrijheidsbeneming. Dat gebeurt in het kader van de afdoening van de strafzaak, waarin de rechtbank zal oordelen over het bewijs en de strafbaarheid van feit en verdachte. De zorgmachtiging kan in dit geval daarom niet anders worden uitgelegd dan als een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel als bedoeld in artikel 67a, lid 3 Sv. De in genoemde bepaling bedoelde situatie is, gelet op hetgeen overigens aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag is gelegd, daarom niet aan de orde. Tot ambtshalve ingrepen in de voorlopige hechtenis bestaat in zoverre geen grond.
- Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. De rechtbank overweegt dat het geruststellend is dat het inmiddels beter gaat met de verdachte. Dat betekent niet dat de grond van het gevaar voor herhaling niet meer aanwezig is. De deskundigen die verdachte hebben onderzocht komen tot de conclusie dat een concreet vangnet in de vorm van voorzieningen nodig is om het recidivegevaar te kunnen inperken. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank nu onvoldoende sprake.
- Met betrekking tot de route naar een zorgmachtiging overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. Het staat de officier van justitie vrij op elk gewenst moment opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis te vorderen. Datzelfde geldt voor het geval de officier van justitie een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging overweegt. De officier van justitie kan daartoe de civiele rechter benaderen of de strafrechter in het kader van de afdoening van een strafzaak.
Ook de verdachte kan op elk door hem gewenst moment de strafrechter benaderen met een verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.
In zoverre bestaat juridisch geen grond om, zoals voorgesteld door de officier van justitie, een beslissing te geven met betrekking tot het vervolg, wat er zij van de grondslag en werking ervan.
De procedure ter voorbereiding van het verzoek voor het afgeven van een zorgmachtiging is door het Openbaar Ministerie in gang gezet. Daar neemt de rechtbank kennis van. In die feitelijke gang van zaken bestaat evenmin grond voor de rechtbank om te treden in de vraag welke rechter door de officier van justitie uiteindelijk met het verzoek zal worden benaderd.
Deze overwegingen en beslissingen zijn gegeven door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. N. Boots en
mr. E.G. van Roest, in tegenwoordigheid van A. Helder, griffier, en zijn gegeven op de openbare terechtzitting van 17 januari 2020.