Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 25 januari 2018 waarmee [gedaagde] in verzet is gekomen van het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 27 december 2017, en waarin hij een eis in reconventie heeft ingesteld;
- de akte van [gedaagde] waarbij hij de producties 1 tot en met 14 in het geding heeft gebracht;
- het tussenvonnis van 21 februari 2018;
- de conclusie van antwoord in het verzet, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met de producties 19 tot en met 30;
- de conclusie van repliek in het verzet, tevens conclusie van repliek in reconventie, met de producties 15 tot en met 27;
- de conclusie van dupliek in reconventie, met de producties 31 tot en met 51;
- de akte van VGZ tot het overleggen van productie 52;
- de akte van [gedaagde] tot het overleggen van de producties 28 tot en met 31;
- het proces-verbaal van comparitie van 28 januari 2020 en de daarin genoemde spreekaantekeningen van VGZ;
- de brief van [gedaagde] van 6 februari 2020 met opmerkingen over het proces-verbaal.
2.De feiten
- de handtekeningen van de verzekerden van VGZ op tenminste vijf van de documenten, genaamd “behandelingsovereenkomst”, die [gedaagde] aan VGZ heeft getoond tijdens de dossiercontrole, zijn vervalst;
- de handtekeningen van de verzekerden van VGZ op tenminste acht documenten, genaamd “afsluiten behandelingsovereenkomst”, die [gedaagde] aan VGZ heeft getoond tijdens de dossiercontrole, zijn vervalst;
- bij tenminste 8 verzekerden van VGZ is in het geheel geen behandelplan met de cliënt overeengekomen en daarom is niet voldaan aan de normen voor verantwoorde zorg zoals omschreven in de Zorgovereenkomst.
3.Het geschil
in conventie
a. tot betaling aan VGZ van het bedrag van € 460.007,54 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 november 2015, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele betaling;
b. tot betaling aan VGZ van de onderzoekskosten van € 9.503,75;
c. tot betaling aan VGZ van de buitengerechtelijke kosten van € 4.075,04;
d. in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van het conservatoir beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis, en in de nakosten.
a. te verklaren voor recht dat de opname door VGZ van [gedaagde] in het Externe
b. te verklaren voor recht dat de door VGZ ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslagen van 18 oktober 2017 onrechtmatig zijn en deze beslagen op te heffen en VGZ te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2017 tot aan de dag van het wijzen van dit vonnis over de vorderingen van [gedaagde] die door deze beslagen zijn getroffen en met veroordeling van VGZ in de kosten van de gelegde beslagen aan de zijde van [gedaagde] van € 50,00;
4.De beoordeling
- [gedaagde] declareert zonder dat door een huisarts naar hem is verwezen;
VGZ heeft geconcludeerd dat [gedaagde] als gevolg van de geconstateerde fraude in geval van 46 DBC’s declaraties bij haar heeft ingediend, voor een totaalbedrag van
€ 460.007,64, voor zorg die feitelijk niet is geleverd. Op grond van artikel 5 lid 3 van Pro de Zorgovereenkomst, subsidiair op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)), vordert VGZ het aan [gedaagde] uitgekeerde bedrag van
€ 460.007,64 van hem terug. Verder vordert zij op grond van artikel 5 lid 4 van Pro de Zorgovereenkomst haar onderzoekskosten terug.
De rechtbank zal daarom moeten beoordelen of hetgeen VGZ heeft gesteld ter onderbouwing van de door haar gestelde fraude in het licht van wat [gedaagde] ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, voldoende is om vast te stellen dat [gedaagde] bij VGZ uren in rekening heeft gebracht die hij niet aan de zorg voor de verzekerden van VGZ heeft besteed.
a. Zestien verzekerden hebben verklaard dat de behandelminuten die [gedaagde] heeft geregistreerd en gedeclareerd niet overeenkomen met de werkelijk bestede behandeluren. Het betreft discrepanties van veelal tientallen uren (bijvoorbeeld: patiënt [naam 1] heeft verklaard 6 uren direct contact met [gedaagde] te hebben gehad, terwijl [gedaagde] 54,1 directe uren heeft gedeclareerd; patiënt [naam 2] heeft verklaard 2,5 uren direct contact met [gedaagde] te hebben gehad, terwijl [gedaagde] 35,5 uren heeft gedeclareerd; patiënt [naam 3] heeft verklaard 6 uren direct contact met [gedaagde] te hebben gehad en een enkele keer met hem te hebben gebeld, terwijl [gedaagde] 94,7 directe uren heeft gedeclareerd).
b. Volgens de tijdsregistratie van [gedaagde] zouden alle verzekerden meerdere uren per dag zijn behandeld, terwijl slechts één verzekerde verklaart eenmalig een twee uur durende afspraak te hebben gehad.
beroept zich daarnaast op zijn behandelplannen, waarin hij per zorgtraject een prognose heeft opgenomen van de te besteden tijd. Deze prognose is gebaseerd op behandelprotocollen, waarin het aantal sessies is opgenomen voor de betreffende stoornis. Vaak gaat het om tussen de 15 en 20 sessies per diagnose. Ook beroept hij zich op de tijdsuitdraai van de verrichtingen die hij na afloop van een behandeling heeft gemaakt en waarvoor de patiënten hebben getekend.
Verder verwijst [gedaagde] naar het onderzoek naar zijn patiëntendossiers dat hij heeft laten verrichten door collega-psychiater dr. [naam 4] en haar onderzoeksrapport van 22 mei 2017. Zij heeft per nagenoeg alle dossiers het volgende verklaard:
.
VGZ heeft verder verwezen naar de volgende documenten:
- het “Gebruikersdocument ggz: Verantwoording RG13a” van de NZa (productie 49 bij de conclusie van dupliek in reconventie), waaruit blijkt dat van een psychiater in de reguliere GGZ een gemiddelde verhouding directe en indirecte tijd van 53% tot 41% (en 6% reistijd) zou mogen worden verwacht, en voor psychotherapeutische beroepen een verhouding van 64% en 34% (en 2% reistijd);
- het onderzoek door Casemix van januari 2016, in opdracht van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, “Analyse declaratiegegevens hoofdbehandelaarschap” naar de tijdsbesteding van hoofd- en medebehandelaars in de GGZ (productie 50 bij de conclusie van dupliek in reconventie), waaruit blijkt dat in de specialistische GGZ een verhouding directe en indirecte tijd van 61% : 39% gebruikelijk is voor de hoofdbehandelaar;
- het specialistische GGZ Zelfonderzoek 2013 (productie 51 bij de conclusie van dupliek in reconventie), waaruit blijkt dat gemiddeld 30% indirecte tijd en 70% directe tijd wordt geregistreerd per DBC; en
- de Inkoopgids GGZ 2012 van het Zorginstituut Nederland, waaruit blijkt dat een percentage variërend tussen 36% en 47% indirecte tijd wordt geregistreerd.
Uit de declaraties van [gedaagde] blijkt dat hij indirecte tijd declareert variërend van gemiddeld 210% tot 740%. Daarnaast blijkt volgens VGZ niet van een directe relatie tussen de door [gedaagde] gedeclareerde indirecte tijd en het contactmoment met de patiënt, zoals de Spelregels DBC voorschrijven. “Een beetje uitrusten en wat dingen regelen”, zoals [gedaagde] heeft verklaard over de indirecte tijd die hij heeft besteed, kan daarom volgens VGZ niet als indirecte tijd worden aangemerkt. VGZ concludeert dat de door [gedaagde] opgevoerde indirecte tijd niet werd besteed en daarmee onrechtmatig is, dan wel - in strijd met de ook wettelijk op [gedaagde] rustende verplichting tot levering van doelmatige zorg - hoogst ondoelmatig.
Volgens [gedaagde] verbetert de indirecte tijd de kwaliteit van de zorg. [gedaagde] heeft indirecte tijd ingezet die hij als arts noodzakelijk achtte voor de betreffende patiënten. Hij heeft de hersteltijd die hij nodig had geregistreerd en heeft daarbij naar zijn oordeel gehandeld als een redelijk handelend psychiater.
heeft verder verwezen naar een e-mail van [naam 5] namens VGZ van 10 februari 2015, waaruit volgens hem volgt dat VGZ hem heeft bevestigd dat hij na een gesprek met een patiënt “rustig 5 tot 6 uur hersteltijd mag schrijven” en dat er kennelijk geen eenduidige lijn is binnen VGZ over wat als indirecte tijd mag worden gedeclareerd.
Ook verwijst [gedaagde] in dit verband naar het onderzoeksrapport van dr. [naam 4] . Per dossier heeft zij het volgende geconcludeerd:
4.4.9. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de door [gedaagde] overgelegde e-mailberichten van 10 februari 2015 vals zijn, kan er niet van worden uitgegaan dat VGZ aan [gedaagde] heeft bevestigd dat hij 5 tot 6 uur hersteltijd per sessie mag declareren. Een andere rechtvaardiging voor die hoeveelheid hersteltijd heeft [gedaagde] niet gegeven.
Daarnaast zou [gedaagde] op basis van zijn tijdsregistraties in een periode van 261 dagen slechts op zeven dagen geen tijd hebben geregistreerd. VGZ acht dat hoogst onaannemelijk. Bovendien strookt dat niet met de verklaring van verzekerde [naam 3] , die heeft verklaard dat [gedaagde] in de periode tussen 21 juni en 23 september 2013 twee keer heeft gezegd dat hij een week of langer op vakantie ging waardoor geen afspraak kon worden ingepland.
Voor bewijslevering is onder de gegeven omstandigheden geen plaats.