ECLI:NL:RBNHO:2020:197
Rechtbank Noord-Holland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering geldlening wegens onvoldoende bewijs en stelplicht
Eiser vordert betaling van een geldlening van €2.500,00 die hij aan gedaagde zou hebben verstrekt. De kantonrechter stelt dat eiser op grond van de wet een stelplicht heeft en in de dagvaarding concreet moet aangeven hoe, wanneer en waarom de geldlening tot stand is gekomen, inclusief afspraken over terugbetaling. De dagvaarding bevatte echter slechts summiere informatie zonder onderbouwing met stukken.
Hoewel eiser op de zitting aanvullende stukken overhandigde, was dit te laat en in strijd met de goede procesorde, waardoor deze stukken niet in behandeling werden genomen. Gedaagde betwist dat er een geldlening is overeengekomen en verklaart dat het overgemaakte bedrag verband hield met een creditcardtransactie op verzoek van een derde.
Eiser kon ter zitting niet aantonen dat er een terugbetalingsverplichting was overeengekomen. De kantonrechter concludeert dat niet is komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst tot geldlening is gesloten. Daarom wordt de vordering afgewezen. Proceskosten worden niet toegewezen aan gedaagde omdat geen kosten zijn aangetoond.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de geldlening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.