ECLI:NL:RBNHO:2020:2316
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot afstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens gedragsproblemen en weigering behandeling
Veroordeelde is bij vonnis van 4 juli 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan de tenuitvoerlegging op 10 maart 2019 is aangevangen. De voorwaardelijke invrijheidstelling zou op 6 april 2020 plaatsvinden.
Het Openbaar Ministerie verzocht op 18 februari 2020 om afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling omdat veroordeelde zich sinds aanvang van zijn straf meerdere malen ernstig had misdragen, waaronder positieve urinecontroles, invoer van contrabande en agressie tegen personeel. Tevens verklaarde veroordeelde niet bereid te zijn de aan de invrijheidstelling verbonden voorwaarden na te leven.
Tijdens de terechtzitting op 13 maart 2020 verscheen veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman. Veroordeelde gaf aan fulltime te willen werken na vrijlating en wees meldplicht en behandelverplichting af. De reclasseringswerker adviseerde afstel vanwege de weigering tot medewerking aan behandeling. De rechtbank oordeelde dat de vordering ontvankelijk was en gegrond, en wees de vordering tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe, waardoor veroordeelde in detentie blijft.