ECLI:NL:RBNHO:2020:2404

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
31 maart 2020
Zaaknummer
AWB - 20_15
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht bij naheffingsaanslagen omzetbelasting

Eiser heeft digitaal beroep ingesteld tegen uitspraken op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting over meerdere kwartalen in 2017 en 2018. De rechtbank Amsterdam heeft dit beroep doorgezonden aan de rechtbank Noord-Holland voor verdere behandeling.

De rechtbank oordeelt dat het beroep mede ziet op een opgelegde boete en dat een behandeling zonder zitting passend is. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het griffierecht binnen vier weken na mededeling zijn betaald. Eiser is hiertoe tweemaal aangeschreven, maar heeft het griffierecht niet voldaan en geen verontschuldiging gegeven voor dit verzuim.

Daarnaast heeft verweerder de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen door de rechtbank is bevestigd na een waarschuwing aan eiser om zich te beperken tot het niet-ontvankelijk verklaren van de bezwaren. De rechtbank concludeert dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn en wijst deze af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en het ontbreken van een verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 20/15 t/m 20/20

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 31 oktober 2019 digitaal beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. Dit beroep richt zich tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 20 september 2019 inzake de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de tijdvakken eerste tot en met vierde kwartaal 2017 en eerste en tweede kwartaal 2018.
Op grond van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de rechtbank Amsterdam dit beroep bij brief van 11 november 2019 ter verdere behandeling aan deze rechtbank doorgezonden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak zonder zitting. Het beroep ziet mede op de opgelegde boete. De rechtbank is van oordeel dat de vereisten van een behoorlijk proces niet nopen tot een behandeling ter zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In zaken als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb (eenmaal) € 174,-. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij brief van 3 januari 2020 eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiser heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 1 februari 2020 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief 13 februari 2020 is afgehaald.
4. Eiser heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
5. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
6. Voorts merkt de rechtbank op dat verweerder de bezwaren van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft bij aangetekende brief van 3 januari 2020 eiser erop gewezen dat de gronden van de beroepen in ieder geval betrekking moeten hebben op het niet-ontvankelijk verklaren van de bezwaren. Hierbij is vermeld dat, indien eiser niet aan dit verzoek voldoet, de beroepen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek bij PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 9 januari 2020 is afgehaald. Eiser heeft niet gereageerd. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
7. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 3 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.