Eiser werd door het CBR niet geschikt verklaard voor het besturen van motorrijtuigen van rijbewijscategorieën B en T, nadat een psychiatrisch onderzoek een diagnose van alcoholmisbruik in ruime zin stelde. Dit was mede gebaseerd op een verhoogde CDT-waarde in het bloed, die duidt op recent en overmatig alcoholgebruik.
Eiser betwistte de interpretatie van de CDT-waarde en de motivering van het rapport, verwijzend naar oudere medische literatuur en een tuchtcollege-uitspraak. De rechtbank oordeelde echter dat de gehanteerde grenswaarden wetenschappelijk onderbouwd en gestandaardiseerd zijn en dat eiser geen overtuigend tegenbewijs heeft geleverd.
De rechtbank stelde vast dat het psychiatrisch rapport niet uitsluitend op de verhoogde CDT-waarde was gebaseerd, maar ook op het feit dat eiser zijn alcoholgebruik niet had weten te reduceren ondanks kennis van het onderzoek. De eerdere rijgeschiktheidsverklaringen deden niet af aan de huidige bevindingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en is niet openbaar uitgesproken vanwege COVID-19 maatregelen.