ECLI:NL:RBNHO:2020:2537
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft tegen het besluit van de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering per 24 februari 2020 bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Verweerder stelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in een acute financiële noodsituatie verkeerde. Verzoeker gaf aan geen inkomen te hebben, schulden te hebben en geen recht te hebben op een WW- of bijstandsuitkering. Hij overhandigde een overzicht van vaste lasten en betalingsregelingen, maar leverde geen bankafschriften of huurovereenkomst aan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf geen spoedeisend belang oplevert. Verzoeker had geen bijstandsuitkering aangevraagd, wat volgens de rechter wel op zijn weg lag. Bovendien woonde verzoeker met zijn gezin bij zijn ouders, waardoor hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij huurkosten moest dragen. De financiële situatie was moeilijk, maar niet zodanig dat onverwijlde spoed bestond.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af zonder behandeling ter zitting en raadde verzoeker aan zo snel mogelijk een bijstandsuitkering aan te vragen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.