ECLI:NL:RBNHO:2020:2592
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over de WOZ-waarde van een woning in een appartementencomplex
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het kalenderjaar 2019, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld en dat zijn aandeel in de VvE-reserves ten onrechte is meegenomen. Verweerder heeft een taxatierapport en een waardematrix overgelegd, waarin de woning is getaxeerd op €175.000, ondersteund door verkoopgegevens van vergelijkbare appartementen in hetzelfde complex.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan de bewijslast heeft voldaan door het taxatierapport en de vergelijkingsobjecten, die qua ligging, bouwperiode en inhoud goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser. De gedateerde staat van de keuken en badkamer is meegenomen in de waardering, waarbij de positieve ligging van het balkon dit compenseert. De verschillen in grootte tussen de woning en de vergelijkingsobjecten verklaren de hogere waarde.
Verder faalt het betoog van eiser dat de waarde te hoog is in vergelijking met het vorige belastingjaar, omdat de Wet WOZ vereist dat de waarde jaarlijks opnieuw wordt bepaald. Ook het bezwaar tegen de opname van het aandeel in de VvE-reserves wordt verworpen, aangezien het aandeel van eiser niet hoger is dan €1.800.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter B. van Walderveen op 14 april 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.