Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Haarlem om hem te bevestigen dat hij in hotel De Raecks kon verblijven. Na een geschil over toegang tot het hotel en verlenging van het verblijf, stelde eiser op 2 januari 2020 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. Verweerder bevestigde telefonisch en schriftelijk dat het verblijf was geregeld tot plaatsing in een instelling voor beschermd wonen.
Eiser trok op 6 januari 2020 het beroep en het verzoek tot voorlopige voorziening in, en verzocht tegelijk om verweerder te veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 8:75a Awb. De rechtbank stelde verweerder in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen, maar verweerder reageerde niet.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet geheel of gedeeltelijk aan het beroep was tegemoetgekomen, omdat de plaatsing in het hotel al was bevestigd. Daarom was geen grond voor veroordeling in proceskosten. Het verzoek werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter L.M. Kos, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.