Eiseres, ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een boete vanwege het rijden met een auto met buitenlands kenteken in Nederland over de periode 9 mei 2014 tot en met 31 mei 2018. Zij stelde dat de auto in Polen was geregistreerd en slechts incidenteel door haar was gebruikt, en dat zij onterecht niet was gehoord voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat verweerder eiseres weliswaar had moeten horen, maar dat het nalaten hiervan haar belangen niet had geschaad. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd, omdat eiseres houder was van de auto en geen Nederlandse motorrijtuigenbelasting had betaald. De berekeningsperiode was niet te lang en het tegenbewijs van eiseres was onvoldoende om de aanslag te verminderen.
De opgelegde boete was passend en geboden, aangezien eiseres gebruik had gemaakt van de weg zonder belasting te voldoen, ongeacht haar kennis of schuld. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd opgedragen het griffierecht te vergoeden.