ECLI:NL:RBNHO:2020:2974

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 april 2020
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
HAA 20_1766
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 2.5.5 Huisvestingsverordening Haarlemmermeer 2018Art. 2.5.8a Huisvestingsverordening Haarlemmermeer 2018Art. 2.2 Beleidsregels urgentieregeling 2018Art. 3.3.2 Beleidsregels urgentieregeling 2018
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake urgentieverklaring woningaanvraag

Verzoekster diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring omdat zij hoogzwanger is en haar huidige woonsituatie als stressvol ervaart, aangezien zij bij haar broer woont die zijn echtgenote naar Nederland heeft gehaald. Verweerder wees de aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening Haarlemmermeer 2018, omdat verzoekster niet minimaal twee jaar onafgebroken in de gemeente woonachtig was en haar situatie niet voldeed aan de criteria voor sociaal-medische urgentie.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overwoog dat het spoedeisend karakter aannemelijk was, maar dat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarde van twee jaar woonduur. Ook de hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat er geen sprake was van een levensbedreigende noodsituatie of bijzondere omstandigheden die niet waren voorzien bij het vaststellen van de verordening.

De rechter benadrukte de ruime beleidsvrijheid van verweerder bij het toepassen van de hardheidsclausule en wees erop dat een situatie van dakloosheid nog niet was vastgesteld. Verzoekster werd geadviseerd gewijzigde omstandigheden direct te melden en eventueel een nieuwe aanvraag in te dienen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/1766
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2020 (het bestreden besluit] heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een urgentie afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder voorafgaande behandeling ter zitting en overweegt hiertoe het volgende.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig oordeel en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend karakter van het onderhavige verzoek op zichzelf voldoende aannemelijk gemaakt.
2. Verzoekster heeft op 20 november 2019 een aanvraag om urgentie ingediend. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij samen met haar echtgenoot inwoont bij haar broer. Verzoekster is hoogzwanger en moet de woning verlaten omdat haar broer zijn echtgenote naar Nederland heeft laten overkomen. Door deze stressvolle omstandigheden kampt verzoekster momenteel met lichamelijke en psychische klachten.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder i, van de Huisvestingsverordening Haarlemmermeer 2018 (hierna te noemen: de verordening). Ingevolge dit artikel wordt een urgentieverklaring geweigerd indien de aanvrager in de periode direct voorafgaande aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig is. Bovendien volgt, aldus verweerder, uit artikel 2.2, aanhef en onder b, in samenhang met 3.3.2 van de Beleidsregels urgentieregeling 2018 (hierna te noemen: de beleidsregels) dat een inwoonsituatie en dakloosheid op zichzelf niet gezien worden als een urgent huisvestingsprobleem, tenzij aantoonbaar is dat er sprake is van ernstige bedreiging van de lichamelijke en/of sociaal psychische gezondheid van een of meer gezinsleden van het huishouden van de woonsituatie. Voor toepassing van de in artikel 3.3 van de verordening vervatte hardheidsclausule is volgens verweerder geen aanleiding omdat niet is aangetoond dat de huidige woonsituatie een zeer ernstige bedreiging vormt van de lichamelijke en/of sociaal psychische gezondheid van verzoekster of haar ongeboren kind.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vast staat dat verzoekster niet voldoet aan de in artikel 2.5.5 van de verordening opgenomen voorwaarde om in aanmerking te kunnen komen van een urgentieverklaring. Verzoekster was immers ten tijde van haar aanvraag nog niet twee jaar woonachtig in de gemeente Haarlemmermeer. Deze weigeringsgrond is – zo blijkt uit artikel 2.5.8a, lid 1, aanhef, van de verordening - ook van toepassing indien sprake zou zijn van een sociaal-medische urgentie.
5. Resteert de vraag of verweerder toepassing had moeten geven aan de in artikel 3.3 van de verordening vervatte hardheidsclausule. Uit hetgeen verzoekster heeft aangevoerd leidt de voorzieningenrechter af dat verzoekster van mening is dat dit het geval is.
6. De hardheidsclausule houdt in dat in gevallen, waarin toepassing van de verordening tot een bijzondere hardheid leidt verweerder ten gunste van de aanvrager kan afwijken van deze verordening.
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan verweerder een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het al dan niet gebruiken van de hardheidsclausule. De bestuursrechter dient het al dan niet aanwenden van deze bevoegdheid dan ook zeer terughoudend te toetsen. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel voorshands geen grond hoeven zien voor de conclusie dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die bij het vaststellen van de verordening niet zijn voorzien en gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Het dient te gaan om bijvoorbeeld een levensbedreigende noodsituatie en niet gebleken is dat dat het geval is. Deze strikte gedragslijn is door de Afdeling bestuursrechtspraak, gegeven de vraag naar schaarse sociale huurwoningen en het belang van een eerlijke verdeling daarvan, niet onredelijk bevonden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2015:493). Ten tijde van het bestreden besluit was verzoekster nog steeds inwonend bij haar broer en niet is gesteld door verzoekster dat haar woonsituatie ten tijde van het indienen van het verzoekschrift reeds was veranderd. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vooralsnog vanuit dat van een situatie van dakloosheid op dit moment nog geen sprake is. Mocht de situatie voor verzoekster wel veranderen, dan ligt het op haar weg om dit direct kenbaar te maken aan verweerder zodat daarmee in het kader van de heroverweging van het bestreden besluit rekening kan worden gehouden. Gegeven het vorenstaande gaat de voorzieningenrechter er voorshands ook vanuit dat verzoekster de beslissing op haar bezwaar zal kunnen afwachten. Ook staat het verzoekster vrij om naar aanleiding van gewijzigde feiten en/of omstandigheden bij verweerder een nieuwe aanvraag om urgentie in te dienen.
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter dan ook op dit moment onvoldoende aanleiding voor het treffen van de door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op 17 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.