Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
24 op 25 oktober 2017 tussen ongeveer 02.00 en 04.30 uur in een ruimte bij de voorportier en hierdoor niet de hele nachtdienst toezicht houden;
24 op 25 oktober 2017 door onder andere oproepen via de portofoon niet te beantwoorden
[naam 4] lag die nacht op twee stoelen met een nekkussen en een deken over haar heen. Zoals ter zitting door de directeur van het DC Schiphol is verklaard, is er inmiddels op de CMK een televisie op proef, om te bezien of de medewerkers op deze manier tijdens de nachtdienst minder moeite hebben om wakker te blijven. De regel dat de hele nacht camerabeelden geobserveerd moeten worden, is inmiddels kennelijk minder strikt dan door verweerder wordt gesteld over de datum hier van belang. Voor de strafmaat is verder van belang dat de aan het besluit ten grondslag gelegde incidenten uit 2016 niet zagen op toezichthoudende werkzaamheden waarbij veiligheidskwesties een rol speelden. Gelet op deze omstandigheden die de rechtbank mee laat wegen bij de beoordeling van de evenredigheid en de relatief beperkte mate van het onttrekken aan de werkzaamheden door eiseres, is naar het oordeel van de rechtbank de opgelegde maatregel van ongevraagd strafontslag niet evenredig te achten aan de aard en de ernst van het vastgestelde plichtsverzuim.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 november 2018 voor zover dat ziet op het onvoorwaardelijke strafontslag;
- herroept het primaire besluit II van 6 juni 2018 en legt aan eiseres de disciplinaire straf op van ontslag, onder de bepaling dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd als eiseres zich gedurende twee jaar na de datum van deze uitspraak niet opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 november 2018;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.100,-.