ECLI:NL:RBNHO:2020:321
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij intrekking omgevingsvergunning
Verzoekster, een handelsonderneming, had een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van een dakopbouw ten behoeve van opslag. Deze vergunning werd door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad geweigerd. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend bij onverwijlde spoed om onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Verzoekster stelde dat zij spoedeisend belang had omdat zij vreest dat de eerder verleende omgevingsvergunning voor een dienstwoning zou worden ingetrokken. Deze vergunning bevatte een starttermijn van 26 weken, die inmiddels was verstreken.
Verweerder verklaarde echter dat intrekking een discretionaire bevoegdheid is en dat hij niet van plan is deze te gebruiken. Bovendien zou overleg met verzoekster plaatsvinden voordat enige intrekking zou worden overwogen. Op grond hiervan concludeerde de voorzieningenrechter dat geen spoedeisend belang bestond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.