ECLI:NL:RBNHO:2020:3364

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2020
Publicatiedatum
4 mei 2020
Zaaknummer
HAA 20_2082
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake persoonsgebonden budgetten

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort waarin het persoonsgebonden budget (pgb) deels is gewijzigd, met name de hoogte van de toegekende uurbedragen voor verschillende vormen van ambulante en individuele begeleiding.

Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de gewijzigde budgetten te handhaven. De voorzieningenrechter overweegt dat het geschil financieel van aard is en dat bij dergelijke geschillen in beginsel geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster heeft aangevoerd dat zorgverleners dreigen af te haken, maar dit is niet concreet aangetoond en verzoekster is op dit moment niet verstoken van begeleiding.

De bezwaarprocedure loopt sinds 16 januari 2020 en een beslissing daarop wordt binnen afzienbare tijd verwacht. Daarom is het niet noodzakelijk om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en veroordeelt partijen niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/2082

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2020 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], verzoekster

gemachtigde: mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort, verweerder.

Procesverloop

Bij (tweede herstel) besluit van 24 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het eerder aan verzoekster verleende persoonsgebonden budget (pgb) deels gewijzigd wat betreft de hoogte van de toegekende uurbedragen en het pgv verstrekt voor:
  • begeleiding ambulant middelzware ondersteuning voor onbepaalde tijd vanaf 1 februari 2020, met een budget van € 44,20 per uur en met een omvang van 120 minuten per week;
  • begeleiding individueel (informele zorg) behalen van doelen voor de periode 1 februari 2020 tot en met 31 juli 2020, met een budget van € 32,10 per uur en met een omvang van 120 minuten per week;
  • begeleiding individueel (informele zorg) behalen van doelen voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2020, met een budget van € 20,- per uur en met een omvang van 120 minuten per week;
  • begeleiding individueel (informele zorg) bij vervoer voor de periode 1 februari 2020 tot en met 31 juli 2020, met een budget van € 32,10 per uur en met een omvang van 150 minuten per week;
  • begeleiding individueel (informele zorg) behalend van doelen voor onbepaalde tijd vanaf 1 augustus 2020, met een budget van € 20,- per uur en met een omvang van 150 minuten per week.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij het bestreden besluit zijn aan verzoekster voorzieningen verstrekt in de vorm van persoonsgebonden budgetten. Het geschil tussen partijen ziet op de hoogte van een deel van de toegekende budgetten, waarbij sprake is van verlaging van het uurtarief voor een deel van de begeleiding met een gewenningsperiode. Verweerder heeft voor een van de twee begeleiders het zogenaamde formele tarief gewijzigd in het informele tarief. Bij een dergelijk financieel geschil is van een spoedeisend belang niet snel sprake. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, indien verzoekster in de hoofdzaak gelijk krijgt, alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Weliswaar heeft verzoekster aangegeven dat de zorgverleners als gevolg van het bestreden besluit dreigen af te haken. Nog daargelaten dat dat alleen op een van de twee dienstverleners betrekking kan hebben, is evenwel niet gebleken dat dit zich al heeft geëffectueerd en verzoekster op dit moment is verstoken van begeleiding. Daarom is geen sprake van een zodanig spoedeisend belang dat verzoekster de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Daarbij is ook van belang dat nu het bezwaar tegen het bestreden besluit dateert van 16 januari 2020, de beslissing op bezwaar binnen afzienbare tijd is te verwachten.
3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier
.
Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.