ECLI:NL:RBNHO:2020:3427
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster ontvangt sinds 2011 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Na een anonieme melding startte de gemeente een onderzoek naar haar leefsituatie. Uit het onderzoek bleek dat verzoekster en haar partner gezamenlijk hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres, mede gegrond op verklaringen van buurtbewoners en eigen verklaringen van verzoekster.
De gemeente beëindigde en trok de uitkering in op grond van het onweerlegbare rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet. Verzoekster betwistte dit en vroeg een voorlopige voorziening vanwege haar financiële noodsituatie.
De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang maar oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende onderbouwing boden voor het besluit van de gemeente. De verklaringen van buurtbewoners en verzoekster zelf waren overtuigend en concreet. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L. Boonstra op 1 mei 2020 en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding is afgewezen.