ECLI:NL:RBNHO:2020:3433
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wijziging voorlopige partnerbijdrage en veroordeling in proceskosten
De man verzocht de rechtbank om wijziging van een voorlopige voorziening betreffende de partnerbijdrage aan de vrouw, met een verlaging van de bijdrage vanaf februari of april 2020. Hij stelde dat zijn inkomen was gewijzigd doordat hij niet langer in loondienst was bij een BV en dat de rekening-courantvordering op deze BV was afbetaald.
De vrouw betwistte de wijziging van omstandigheden en stelde dat het inkomensverlies door de man zelf was veroorzaakt. Zij verzocht tevens om veroordeling van de man in de proceskosten vanwege het onnodig starten van de procedure en het gebruik van onjuiste stukken.
De rechtbank oordeelde dat de man onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de beëindiging van het dienstverband en de aflossing van de rekening-courantvordering een relevante wijziging van omstandigheden vormden. De rechtbank wees op de invloed van de man binnen de BV en het feit dat hij na het ontslag nog een auto van de zaak gebruikte. Ook was onduidelijk of alle opnames van de rekening-courant terecht waren geboekt.
Daarom werd het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening afgewezen. De rechtbank veroordeelde de man in de proceskosten omdat zijn verzoek kort na de eerdere beschikking was gedaan en hij een doorslaggevende invloed had op de omstandigheden waarop het verzoek was gebaseerd. De man moet de griffierechten en het salaris van de advocaat van de vrouw betalen.
Uitkomst: Verzoek tot wijziging van de voorlopige partnerbijdrage afgewezen en man veroordeeld in proceskosten.