ECLI:NL:RBNHO:2020:3471
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Veroordeling proceskosten na intrekking voorlopige voorziening rijbewijs
Verzoeker had bij besluit van 24 februari 2020 het rijbewijs geschorst gekregen door verweerder, de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), in afwachting van een onderzoek naar de rijvaardigheid. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Nadat verweerder het bezwaar gegrond verklaarde, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in, met het verzoek om proceskostenveroordeling van verweerder.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de intrekking volgde op volledige tegemoetkoming door verweerder en dat het verzoek om proceskostenveroordeling tijdig en correct was ingediend. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
De proceskosten betroffen de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand, vastgesteld op €525,-, exclusief griffierecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter W.B. Klaus op 6 mei 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €525,- aan proceskosten aan verzoeker.