Op 15 mei 2020 heeft de Rechtbank Noord-Holland verdachte veroordeeld voor het opzettelijk binnenbrengen van een hoeveelheid cocaïne via Schiphol. Verdachte, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en destijds 18 jaar oud, werd betrapt met bijna vier kilo cocaïne in haar bagage. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat sprake was van slechts voorwaardelijk opzet, omdat verdachte wist dat zij drugs vervoerde en hiervoor betaald zou krijgen.
De rechtbank stelde vast dat verdachte onvoorwaardelijk opzet had op de invoer van de cocaïne. De hoeveelheid en aard van de drugs wezen op bestemdheid voor verdere handel. Verdachte had de koffers ontvangen van een persoon in Brazilië en moest de drugs afleveren in Frankrijk. De rechtbank nam ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee, waaronder haar jonge leeftijd en kwetsbaarheid, maar vond deze onvoldoende om af te wijken van het volwassenenstrafrecht.
De rechtbank wees het verzoek tot toepassing van het adolescentenstrafrecht af, mede op basis van het reclasseringsrapport dat geen indicaties gaf voor jeugdstrafrecht. De opgelegde straf bedroeg 30 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht. De rechtbank achtte deze straf passend gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. De straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.