ECLI:NL:RBNHO:2020:3894

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 mei 2020
Publicatiedatum
26 mei 2020
Zaaknummer
HAA 19/5293 en 19/5294
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister in proceskosten na intrekking beroep Verklaring Omtrent het Gedrag

Eiser diende een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een specifieke functie, welke door de minister voor Rechtsbescherming op 30 augustus 2019 werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 20 november 2019 stelde eiser beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening. Vervolgens nam de minister op 19 december 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar waarin het bezwaar gegrond werd verklaard, waarna eiser het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening introk.

Gelijktijdig met de intrekking verzocht eiser de rechtbank om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelde vast dat het verzoek aan de voorwaarden voldeed en wees het toe. De kosten betroffen rechtsbijstand en griffierecht, waarvoor de minister werd veroordeeld tot betaling van in totaal €1.398,-.

De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter W.B. Klaus op 20 mei 2020 te Alkmaar. Vanwege coronamaatregelen vond geen openbare zitting plaats. Tegen het vonnis met betrekking tot het beroep staat hoger beroep open bij de Raad van State, het verzoek tot voorlopige voorziening is niet-beroepbaar.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van in totaal €1.398,- na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Sector bestuursrecht
zaaknummers: HAA 19/5293 (beroep) en 19/5294 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 20 mei 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser/verzoeker,

hierna te noemen eiser,
(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en
de minister voor Rechtsbescherming, Justitiële uitvoeringsdienst Toetsing, Integriteit en Screening,verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een Verklaring Omtrent het Gedrag voor de functie van [functie] afgewezen.
Bij besluit van 20 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft bij brief van 5 december 2019 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft voorts de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 19 december 2019 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaarschrift gegrond verklaard.
Eiser heeft bij brief van 31 december het beroep ingetrokken. Eiser heeft bij brief van 4 februari 2020 het verzoek ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep en het verzoek heeft eiser verzocht om verweerder op grond van artikel 8:84, vijfde lid, juncto artikel 8:75a, eerste lid en artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedures bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij brief van 2 januari 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft geen verweer gevoerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb is artikel 8:75a Awb van overeenkomstige toepassing in de voorlopige voorzieningenprocedure.
4. Vastgesteld wordt dat het beroep en het verzoek zijn ingetrokken en eiser heeft tegelijk met de intrekking van het beroep en het verzoek verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
5. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
6. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 525,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1) en € 525,- in verband met de voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).
7. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 348,- te worden vergoed door verweerder.

BeslissingDe rechtbank:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-.
De voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak met betrekking tot het beroep (AWB 19/5293) kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.
Tegen deze uitspraak met betrekking tot het verzoek (AWB 19/5294) staat geen rechtsmiddel open.