Eiser heeft tegen een besluit van 2 januari 2019 een beroepschrift ingediend op 16 juli 2019, ruim na de wettelijke termijn van zes weken die op 13 februari 2019 eindigde. De rechtbank heeft eiser meerdere malen in de gelegenheid gesteld om een reden te geven voor de te late indiening, maar de reactie kwam pas na de gestelde termijnen en zonder verzoek om uitstel.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op 4 juni 2020 door rechter L.M. Kos, met griffier M. van der Elst. De uitspraak is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen, maar kan later alsnog openbaar worden uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.