Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[XX]
Rechtbank Noord-Holland
AB Vakwerk heeft een vordering ingesteld tegen [gedaagde] wegens niet-betaling van contributie en bijdragen aan een bedrijfscontinuïteitsregeling over de jaren 2015 tot en met 2017. [gedaagde] voerde verweer dat hij in 2014 was geroyeerd vanwege eerdere wanbetaling en dat hij de facturen nooit had ontvangen.
De rechtbank stelt vast dat niet is komen vast te staan dat het lidmaatschap en de deelname aan de regeling in 2014 zijn beëindigd door royement. Er ontbreekt een schriftelijke bevestiging van royement in 2014, terwijl AB Vakwerk een bevestiging van royement per 1 augustus 2017 heeft overgelegd die niet is betwist door [gedaagde].
Het verzoek van [gedaagde] om een getuige te horen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook het verweer dat de facturen niet zijn ontvangen wordt verworpen, omdat ontvangst geen voorwaarde is voor betaling.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.709,57, bestaande uit de hoofdsom, buitengerechtelijke kosten en contractuele rente vanaf 27 oktober 2017, alsmede proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.709,57 plus rente en kosten wegens niet-betaalde lidmaatschapsbijdragen.