Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
de vennootschap onder firma [gedaagde 1]
[gedaagde 2]
[gedaagde 3]
Rechtbank Noord-Holland
Eiser heeft werkzaamheden verricht voor v.o.f. en vordert betaling van een factuur van €3.104,20 inclusief btw, vermeerderd met incassokosten en wettelijke rente. V.o.f. betwist de vordering en stelt dat er andere afspraken waren over de beloning, namelijk een 50/50 verdeling van opbrengsten, en dat voorschotten moeten worden verrekend.
De kantonrechter stelt vast dat eiser zijn werkzaamheden op uurbasis heeft gedeclareerd en dat v.o.f. onvoldoende heeft onderbouwd dat andere afspraken gelden. Het uurloon van €40 wordt als redelijk beschouwd. Het verweer tegen de btw-heffing wordt verworpen omdat acquisitiewerkzaamheden niet onder het verlaagde tarief vallen.
V.o.f. mag voorschotten van €550 verrekenen met de vordering, maar de gevorderde schadevergoeding van €377,52 wegens proceskosten wordt afgewezen omdat deze niet is onderbouwd. De vordering wordt daarom toegewezen tot €2.554,20, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 12 oktober 2019.
Incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke tarief van €426,40, maar rente hierover wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs van betaling. Proceskosten en nakosten worden toegewezen aan eiser, met een maximum van €105 aan nasalaris plus explootkosten bij betekening. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: V.o.f. en vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €2.980,60 plus wettelijke rente en proceskosten.