ECLI:NL:RBNHO:2020:4721

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2020
Publicatiedatum
29 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 20_ 913
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:38 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beslissing kinderopvangtoeslag niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Eiseres heeft een beroepschrift ingediend tegen een beslissing op bezwaar van de Belastingdienst/Toeslagen over de kinderopvangtoeslag 2015. De rechtbank heeft het beroep behandeld zonder zitting en beoordeeld of het beroep ontvankelijk was.

De rechtbank constateerde dat eiseres het vereiste griffierecht niet binnen de gestelde termijn had betaald, ondanks twee aanmaningen, waarvan één aangetekend en door eiseres in ontvangst genomen. Tevens heeft eiseres niet binnen de termijn een afschrift van het besluit overgelegd, ondanks een verzoek daartoe. Beide verzuimen zijn niet verontschuldigd.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) leidt het niet tijdig betalen van het griffierecht zonder verontschuldiging tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Ook het niet overleggen van het besluit binnen de termijn versterkt dit oordeel.

De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. van As op 3 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht en het niet overleggen van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2020 in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres,

en

de directeur van de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 29 november 2019 tegen de beslissing op bezwaar van verweerder een tweede bezwaarschrift ingediend bij verweerder inzake de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015.
Verweerder heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als beroepschrift en bij brief van 19 februari
2020 op grond van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter verdere
behandeling aan deze Rechtbank doorgezonden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de bij de Awb behorende Regeling verlaagd griffierecht € 47. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij brief van 27 februari 2020 eiseres in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiseres heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 27 maart 2020 eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek bij PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 3 april 2020 is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Eiseres heeft niet gereageerd.
4. Eiseres heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Eiseres heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
5. Verder merkt de rechtbank op dat eiseres, gelet op de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb, ook in verzuim is geweest binnen de gestelde termijn een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft over te leggen. Bij aangetekend verzonden brief van 27 februari 2020 is eiseres gewezen op dit verzuim en is zij verzocht om het uiterlijk binnen vier weken na datum van verzending te herstellen. Deze brief heeft de rechtbank retour ontvangen van het postbedrijf met de mededeling dat deze brief niet is afgehaald. Vervolgens heeft de griffier deze brief, als bedoeld in artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, overeenkomstig het bepaalde in dat artikel ter kennisname per gewone post verzonden. Eiseres heeft niet gereageerd.
6. Eiseres heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
7. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.