ECLI:NL:RBNHO:2020:4763
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van medeplegen bij invoer cocaïne
De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit van medeplegen en medeplichtigheid aan de opzettelijke invoer van cocaïne. Verdachte had weliswaar contact met medeverdachten en was aanwezig op Schiphol tijdens de aankomst van de drugskoerier, maar er is onvoldoende bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking die vereist is voor medeplegen.
De tenlastelegging omvatte onder meer het onderhouden van contact via WhatsApp, het verstrekken van adres- en contactgegevens, het aanwezig zijn op Schiphol en het beschikken over geld en een auto voor het vervoer van cocaïne. De officier van justitie stelde dat het opzet en de samenwerking bewezen konden worden door onder andere telefoongegevens en aanwezigheid op Schiphol.
De verdediging voerde aan dat de bewijsvoering onvoldoende was om opzet en medeplegen aan te tonen. De rechtbank oordeelde dat hoewel verdachte mogelijk wetenschap had van het feit dat een medeverdachte drugskoerier was, er geen wettig en overtuigend bewijs is voor een materiële of intellectuele bijdrage aan het delict. Het enkele aanwezig zijn en de contacten waren onvoldoende voor een veroordeling.
Daarom verklaarde de rechtbank de tenlastelegging niet bewezen en sprak verdachte vrij.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen bij invoer van cocaïne.