Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bakkerij [naam] ,
Rechtbank Noord-Holland
Partijen sloten in 2007 een overeenkomst waarbij gedaagde gedurende 60 maanden verpakkingsmateriaal moest afnemen voor minimaal €15.000 per jaar. Na afloop van deze periode bleef gedaagde bestellen, maar stopte per 1 januari 2019 met de exploitatie van zijn bakkerij en de bestellingen.
Eiseres vorderde betaling van een bedrag voor niet bestelde verpakkingsmaterialen, stellende dat de overeenkomst doorliep en zij voorraad aanhield speciaal voor gedaagde. Gedaagde verweerde zich met het standpunt dat hij na afloop van de contractperiode niet meer gebonden was aan het bestelminimum en alleen hoefde te betalen voor daadwerkelijk bestelde en geleverde producten.
De rechtbank oordeelde dat er geen verlenging van de contractperiode was overeengekomen en dat gedaagde na december 2012 niet meer aan het bestelminimum was gebonden. Het enkele feit dat eiseres voorraad aanhield die niet aan derden kon worden verkocht, bracht geen betalingsverplichting mee voor gedaagde. De vordering werd afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling van niet bestelde verpakkingsmaterialen wordt afgewezen omdat geen verlenging van het bestelcontract is overeengekomen.