Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2020:5116

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2020
Publicatiedatum
9 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3291
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1.2.1 sub c Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging buitenwettelijke opvang wegens coronamaatregelen

Verzoeker, afkomstig uit Curaçao, verbleef sinds april 2020 in Nederland en kreeg opvang in een sporthal in Haarlem vanwege coronamaatregelen die terugkeer naar Curaçao onmogelijk maakten. De opvang was buitenwettelijk en op humanitaire gronden verleend, niet op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem besloot de opvang niet te verlengen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, welke werd afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was zich op eigen kracht te handhaven, zoals vereist onder artikel 1.2.1 sub c Wmo 2015.

Verzoeker betwistte dat hij huisvesting in Curaçao had, maar kon dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwen. De voorzieningenrechter achtte het standpunt van verweerder, gebaseerd op intakegesprekken en rapportage, overtuigend. De opvang werd als buitenwettelijk beoordeeld en er rustte geen verplichting op verweerder deze voort te zetten.

Gelet op het voorgaande had het bezwaar van verzoeker tegen het besluit geen redelijke kans van slagen en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot beëindiging van de buitenwettelijke opvang is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/3291

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

9 juli 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Eljarroudi en H.A.P. Esselink).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2020 (het primaire besluit) is namens verweerder door de Brede Centrale Toegang (BCT) Kennemerland besloten de opvang van verzoeker die tot 1 juli 2020 aan verzoeker was verleend, niet te verlengen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft op 29 juni 2020 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 30 juni 2020 heeft verzoeker de rechtbank verzocht om een ordermaatregel te treffen. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter in zijn beslissing van 30 juni 2020 afgewezen.
In het verweerschrift, door de rechtbank ontvangen op 2 juli 2020, is vastgesteld dat verzoeker tot de uitspraak van de voorzieningenrechter zal worden opgevangen door verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [naam] , begeleidster van verzoeker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter neemt aan dat sprake is van een spoedeisend belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.
3.
Uit het dossier blijkt het volgende.
Verzoeker is afkomstig uit Curaçao en is in [maand] 2019 per vliegtuig naar Nederland gekomen. Bij aankomst op Schiphol is hij gearresteerd wegens drugsbezit. Aansluitend heeft hij in Nederland in strafrechtelijke detentie gezeten. Daaruit is hij op 5 april 2020 ontslagen. Kort daarvoor, op 30 maart 2020, is verzoeker aangemeld bij de BCT Haarlem voor daklozenopvang. Die melding is gedaan omdat er door de Corona-maatregelen op dat moment geen vliegverkeer mogelijk was, waardoor verzoeker toen niet de mogelijkheid had terug te vliegen naar Curaçao. Aan verzoeker is door de BCT opvang verleend in een sporthal in Haarlem. Volgens verweerder berust die opvang niet op een verplichting die voortvloeit uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), maar is die opvang buitenwettelijk en op humanitaire gronden verleend.
4.1.
Verzoeker heeft in bezwaar aangevoerd dat hij op grond van artikel 1.2.1 sub c van de Wmo 2015 recht heeft op voortzetting van de aan hem door verweerder verleende opvang
4.2.
In het verweerschrift, zoals dat ter zitting nader is toegelicht, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven. Daarom voldoet hij niet aan de voorwaarden van artikel 1.2.1 sub c van de Wmo 2015.
Verweerder heeft ter staving van dit standpunt verwezen naar zijn rapport van 30 maart 2020. In dat rapport staat op de laatste pagina dat verzoeker geen reguliere toegang heeft tot de maatschappelijke ondersteuning en dat er een uitzondering is gemaakt tijdens de Corona maatregelen. Ook staat er dat verzoeker destijds niet kon terugkeren naar Curaçao omdat het land op slot zat door de Corona maatregelen. De toegang tot de maatschappelijke ondersteuning was er niet, omdat verzoeker destijds bij de intake heeft verklaard dat hij een huisvestingsmogelijkheid heeft in Curaçao.
4.3.
Verzoeker heeft in bezwaar betwist dat hij ten tijde van het verlenen van de voormelde opvang tegenover de BCT heeft verklaard dat hij huisvestingsmogelijkheden heeft in Curaçao. Hij heeft ter toelichting van zijn situatie in Curaçao in bezwaar een schriftelijke verklaring van hemzelf en van zijn in Nederland wonende zus overgelegd, volgens welke verklaringen verzoeker voorheen in Curaçao in het huis van zijn oma woonde, maar dat die oma in 2016 is overleden en dat verzoeker nadien niet in het huis van die oma kon blijven wonen. Verzoeker had voor zijn vertrek geen huis en geen werk meer, zo verklaart hij.
4.4.
De voorzieningenrechter ziet thans geen reden om te twijfelen aan de mededelingen van verweerder omtrent hetgeen verzoeker in het kader van de aan hem met ingang van 5 april 2020 verleende opvang heeft verklaard over zijn huisvestingsmogelijkheden in Curaçao. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder destijds bij de intake met verzoeker heeft gesproken en uit dat gesprek de conclusie is getrokken dat verzoeker niet in aanmerking kwam voor opvang op grond van de Wmo 2015.
Verzoeker en zijn zus hebben in bezwaar wel schriftelijk verklaard dat verzoeker geen mogelijkheid heeft om huisvesting te krijgen, maar verzoeker heeft deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Daaruit vloeit voort dat verzoeker ook (nog) niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is om zich in Curaçao op eigen kracht in de samenleving te handhaven.
5.1.
Ook heeft verzoeker aangevoerd dat op verweerder, omdat hij aan verzoeker al enige tijd opvang heeft verleend, de bijzondere verantwoordelijkheid rust die opvang voort te zetten totdat verzoeker op eigen kracht huisvesting heeft gevonden.
5.2.
De voorzieningenrecht volgt verzoeker hierin niet. Duidelijk is dat aan verzoeker door verweerder enige opvang is geboden op basis van humanitaire gronden en niet op grond van de Wmo 2015. De opvang van verzoeker is derhalve buitenwettelijk geweest. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder dit nu niet kan worden tegengeworpen, in die zin dat hierin geen grond is gelegen om aan te nemen dat op verweerder de verplichting rust de opvang van verzoeker te continueren, ondanks dat reizen naar Curaçao voor verzoeker weer mogelijk is.
6. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit geen redelijke kans van slagen. Daarom is er geen reden voor toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.