ECLI:NL:RBNHO:2020:5124

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juli 2020
Publicatiedatum
9 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4446
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22 Wet WOZArt. 22j AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen WOZ-waarde niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening

Eiser, huurder van een appartement uit 1978, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €134.000 voor het jaar 2019. Hij stelde dat de waarde te hoog was en dat de woning in slechte staat verkeert, met een lagere werkelijke inhoud en nadelige ligging.

Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift pas op 28 april 2019 was ontvangen, terwijl de bezwaartermijn op 14 maart 2019 was verstreken. Eiser gaf toe te laat te zijn met het indienen van het bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat geen reden bestond om de niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Daardoor kwam de rechtbank niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waarde.

Het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/4446

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op de voet van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) bij beschikking van 31 januari 2019 de waarde van de onroerende zaak [A] (hierna: de woning) voor het jaar 2019 vastgesteld op € 134.000. In dezelfde beschikking is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2019 bekend gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Een afschrift van deze stukken is doorgestuurd naar verweerder.
De rechtbank heeft op 8 april 2020 partijen verzocht aan te geven of zij de zitting achterwege wensen te laten.
Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 16 april 2020.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020 te Haarlem. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [B] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft op 28 april 2019 digitaal bezwaar gemaakt tegen de beschikking.
2. Eiser is huurder van de woning. De woning is een appartement gelegen op de begane grond, gebouwd in 1978.
Geschil
3. In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard door verweerder. Indien het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2018 (hierna: waardepeildatum) in geschil.
4. Eiser heeft gesteld dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt. Voorts heeft eiser gesteld dat de waarde van de woning veel te hoog is. De woning is in 1978 gebouwd en alles is nog in oude staat. De werkelijke inhoud is 153m³ en niet 200m³ waar verweerder van uit gaat. De woning heeft een E/F energielabel, is zeer gehorig, geen voor en/of achtertuin en ligt niet ver van de spoorlijn welke overlast geeft. De vergelijkingspanden liggen in andere dorpen en hebben een andere onderhoudstoestand. De waarde dient volgens eiser gesteld te worden op € 85.000.
5. Verweerder heeft gesteld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
7. Op grond van de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 22j, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking.
8. De beschikking is gedagtekend 31 januari 2019. Gesteld noch gebleken is dat de dagtekening van deze beschikking is gelegen vóór de dag van bekendmaking daarvan, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 1 februari 2019 en eindigt op 14 maart 2019.
9. Verweerder heeft onbestreden gesteld dat hij het digitaal verzonden bezwaarschrift heeft ontvangen op 28 april 2019.
10. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
11. Eiser heeft ter zitting gezegd dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt, omdat hij het steeds vooruit heeft geschoven. De rechtbank ziet hierin geen reden op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven.
12. Het bezwaar van eiser is terecht niet-ontvankelijk verklaard door verweerder. Aan een inhoudelijke beoordeling van de waarde van de woning komt de rechtbank niet toe.
13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.