Eiser, een zelfstandige ondernemer die door een ongeluk in april 2018 niet kon werken, vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). De gemeente weigerde aanvankelijk bijstand, maar kende deze later toe over de periode van 13 september tot 27 december 2018. Eiser betwistte de ingangsdatum en stelde dat hij al in april/mei 2018 contact had gehad en stukken had ingediend die als aanvraag konden worden beschouwd.
De rechtbank stelde vast dat de gemeente onvoldoende had gemotiveerd waarom de eerdere contacten niet als melding of aanvraag konden gelden. Ook was onduidelijk waarom de proceskosten niet werden toegekend. De rechtbank oordeelde dat het besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel en gaf de gemeente de gelegenheid om dit te herstellen.
Verder werd geoordeeld dat de uitkering op grond van het Bbz 2004 terecht eindigde per 27 december 2018, omdat eiser toen niet langer zelfstandige was. De vraag over bijstand op grond van de Participatiewet na die datum wordt in een aparte procedure behandeld.
De rechtbank hield alle verdere beslissingen aan tot de einduitspraak en bepaalde de termijnen voor herstel van het besluit en reactie van partijen.