AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep niet-ontvankelijk wegens alsnog genomen besluit na niet-tijdige WOZ-beslissing
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag van 11 november 2019 betreffende de WOZ-waarde van twee objecten. De rechtbank stelt vast dat het bestuursorgaan op 30 januari 2020 alsnog een schriftelijke beslissing heeft genomen en daarnaast een dwangsom heeft toegekend.
Hierdoor is het procesbelang van het beroep komen te vervallen en verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan de beslistermijn heeft overschreden, aangezien de beslissing niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag is genomen.
Daarom veroordeelt de rechtbank het bestuursorgaan tot vergoeding van de proceskosten van €262,50 en het door eisers betaalde griffierecht van €48. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. van As op 17 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/483
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2020 in de zaak tussen
de erven van [X] , eisers
(gemachtigde: mr. A. Bakker),
en
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 27 januari 2020 hebben eisers bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 11 november 2019 betreffende de WOZ-waarde over het belastingjaar 2018 van de objecten de [adres 1] en [adres 2] .
Overwegingen
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 vanPro de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 vanPro de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.
Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
De rechtbank stelt vast dat verweerder inmiddels bij besluit van 30 januari 2020 alsnog een schriftelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag van eisers. Tevens heeft verweerder bij besluit van 7 februari 2020 aan eisers een dwangsom van € 138 (zes dagen) toegekend. Nu verweerder alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag en een besluit heeft genomen over de dwangsom, is het procesbelang aan de onderhavige procedure komen te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk verklaren.
Vervolgens moet worden beoordeeld of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van griffierecht.
Op grond van artikel 4:13 vanPro de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of, bij het ontbreken van een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven.
Nu verweerder pas op 30 januari 2020 een schriftelijke beslissing op de aanvraag van 11 november 2019 heeft genomen, heeft verweerder deze beslistermijn overschreden. De rechtbank constateert voorts dat eisers verweerder bij brief van 10 januari 2020 hebben meegedeeld dat verweerder in gebreke is.
Nu, zoals uit het vorenoverwogene blijkt, het instellen van beroep in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag, niet zonder reden was, acht de rechtbank vergoeding van proceskosten en griffierecht door verweerder op zijn plaats. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt, wegingsfactor 0,5).
Met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb zal verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 48 moeten vergoeden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 262,50; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.
Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.