ECLI:NL:RBNHO:2020:5347
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling korting vakantiegeld pensioen op WW-uitkering en toepassing hardheidsclausule
Eiser, voormalig maatschappelijk werker, ontving een WW-uitkering die werd gekort met het vakantiegeld uit zijn pensioen. Hij stelde dat deze korting disproportioneel was omdat hij slechts één maand WW-uitkering ontving terwijl het vakantiegeld over het gehele voorafgaande jaar was opgebouwd.
De rechtbank overwoog dat volgens artikel 4:1, derde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) het vakantiegeld wordt toegerekend aan het aangiftetijdvak waarin het is uitgekeerd. Verweerder heeft het vakantiegeld terecht volledig toegerekend aan mei 2019 en heeft zijn discretionaire bevoegdheid uit het achtste lid van artikel 4:1 AIB Pro niet toegepast.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een kennelijk onredelijk resultaat zoals bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, AIB, zodat de hardheidsclausule niet van toepassing was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de korting van het volledige vakantiegeld op de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.