ECLI:NL:RBNHO:2020:5489

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
21 juli 2020
Zaaknummer
C/15/303199 FT RK 20/462
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boedelbijdrage in wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen

Appellant is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en heeft zijn auto binnen een jaar voor toelating aan zijn ex-echtgenote geschonken. De rechter-commissaris stelde dat appellant een boedelbijdrage van €1.000,- moest storten, omdat de schenking paulianeus was en onttrekking van boedelvermogen betrof.

Appellant en zijn advocaat voerden aan dat de schenking te goeder trouw was gedaan om kosten te besparen en dat de auto noodzakelijk was voor medische bezoeken. Tevens stelde appellant dat hij de boedelbijdrage niet kon betalen binnen de looptijd van de regeling. De bewindvoerder gaf aan dat toestemming voor behoud van de auto op medische of bijzondere familiegronden had kunnen worden gevraagd, maar dat dit niet was gedaan.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de boedelbijdrage in beginsel terecht is bij schenking binnen een jaar voor toelating, in dit geval het eisen van een boedelbijdrage in strijd is met redelijkheid en billijkheid. De schenking was bedoeld om kosten te besparen en zou waarschijnlijk niet tot afwijzing van toelating hebben geleid. Bovendien was de auto niet meer in bezit van de ex-echtgenote en kon de bewindvoerder de schenking niet meer vernietigen.

Daarom vernietigt de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris voor zover deze een boedelbijdrage oplegt. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de boedelbijdrage komt te vervallen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris en oordeelt dat appellant geen boedelbijdrage verschuldigd is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
rekestnummer: C/15/303199 FT RK 20/462
insolventienummer: [nummer]
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2020
in hoger beroep op grond van artikel 315 Faillissementswet Pro (Fw) tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 11 mei 2020 in de schuldsaneringsregeling van:
[appellant],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
appellant
gemachtigde: mr. D.E. Lof, advocaat te Nieuw-Vennep.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van:
  • de beschikking van de rechter-commissaris van 11 mei 2020;
  • het beroepschrift van 15 mei 2020 van mr. D.E. Lof.
1.2.
De rechtbank heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op 7 juli 2020.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 13 augustus 2019 is op appellant de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Als bewindvoerder is aangesteld
mr. M. Schuitemaker en als rechter-commissaris is benoemd mr. K. van Dijk, opgevolgd door mr. M.M. Kruithof.
2.2.
Bij brief van 23 december 2019 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris als geïnformeerd:
Tijdens het huisbezoek heeft de heer [appellant] verteld geen auto op zijn naam te hebben staan. Uit de informatie van de RDW is gebleken dat de heer [appellant] tot [datum] een Audi met kenteken [kenteken] op zijn naam heeft gehad. Volgens de heer [appellant] is deze
auto op [datum] op naam van zijn ex-vrouw gezet, omdat hij de kosten niet meer
kon betalen. De heer [appellant] woont nog steeds samen met zijn ex-vrouw. Hij maakt
ook nog steeds gebruik van deze auto. Ik heb de heer [appellant] gevraagd om een waardebepaling van de auto te laten opstellen. Uit deze waardebepaling blijkt dat de waarde van de auto op € 1.000,- is gesteld.
2.3.
Namens de rechter-commissaris is op 6 januari 2020 een aantekening op voornoemde brief van de bewindvoerder gericht aan de rechter-commissaris geplaatst, inhoudende dat behoud auto akkoord is onder de voorwaarde dat [appellant] € 1.000,00 op de boedelrekening stort.
2.4.
Bij brief van 21 april 2020 bericht de bewindvoerder dat [appellant] het niet eens is met het besluit van de rechter-commissaris. [appellant] heeft zijn bezwaren uiteen gezet.
2.5.
Op 11 mei 2020 beslist de rechter-commissaris als volgt:
ten aanzien van de auto heeft te gelden dat deze, binnen een jaar voor de toelating tot de WSNP, is weggegeven door de schuldenaar terwijl hij daartoe niet verplicht was. Dat is paulianeus en deze schenkingsovereenkomst had eigenlijk vernietigd moeten worden. Om goed te maken dat er geld aan de boedel is onttrokken dient schuldenaar € 1.000,- in de boedel te storten. Ook zou zijn ex echtgenote dat kunnen doen aangezien zij de auto heeft gekregen. Een andere mogelijkheid is dat de auto terug gaat naar de boedel en dan kan u, als bewindvoerder, deze verkopen.
2.6.
Tegen de beslissing van 11 mei 2020 is appellant bij fax van 15 mei 2020 in beroep gekomen.
2.7.
Het beroepschrift is behandeld ter zitting van 17 juni 2020. Ter zitting zijn verschenen: appellant, bijgestaan door mr. D.E. Lof en mr. M. Schuitemaker, de bewindvoerder.

3.Standpunt van de partijen

3.1.
Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij in de periode voorafgaand aan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling om kosten te besparen in mei 2019 heeft besloten om de auto die hij bezat aan zijn echtgenote te schenken. Zodoende kon hij tegen lagere kosten nog wel gebruik maken van de auto voor onder meer af te leggen ziekenhuisbezoeken voor zichzelf en de kinderen. Voorts heeft appellant verklaard dat zijn ex-echtgenote niet meer in het bezit is van de auto aangezien de auto aan een sleepdienst is gegeven tegen een vergoeding van € 150,00. Verder heeft appellant verklaard dat hij ten tijde van het schuldhulptraject bij Plangroep geen rekening heeft gehouden met een wettelijke schuldregeling.
3.2.
Mr. Lof heeft hierop aangevuld dat appellant te goeder trouw heeft gehandeld door de auto aan zijn ex-echtgenote over te doen met als doel het besparen van kosten. Van paulianeus handelen is volgens hem dan ook geen sprake. Daarnaast is aangevoerd dat de auto noodzakelijk is gelet op het beperkte openbaar vervoer in de woonplaats van appellant. Ten slotte is aangevoerd dat appellant niet de financiële middelen heeft om een bedrag van
€ 1.000,00 binnen de resterende looptijd van de schuldsaneringsregeling aan de boedel te vergoeden.
3.3.
De bewindvoerder heeft naar aanleiding van hetgeen door appellant naar voren is gebracht verklaard dat toestemming voor behoud van de auto op medische gronden dan wel op grond van bijzondere familieomstandigheden aan de rechter-commissaris verzocht had kunnen worden. Nu de bewindvoerder hiermee niet bekend was, is een dergelijk verzoek achterwege gebleven.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank overweegt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als volgt. Ter zitting is niet betwist dat de beslissing van de rechter-commissaris van 11 mei 2020 een bevestiging is van de op 6 januari 2020 genomen beslissing. Dat betekent dat appellant (ook) in hoger beroep had moeten komen tegen de beslissing van 6 januari 2020. Nu de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard dat zij de beslissing van de rechter-commissaris van 6 januari 2020 niet heeft beschouwd als een voor hoger beroep vatbare beschikking en om die reden appellant niet heeft gewezen op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep als bedoeld in artikel 315 Fw Pro zal de rechtbank het hoger beroep tegen de beschikking van 11 mei 2020 tevens opvatten als beroep tegen de (bij beschikking van 11 mei 2020 bevestigde) beslissing van 6 januari 2020 en ontvankelijk achten. De termijnoverschrijding is appellant immers niet aan te rekenen en daarom verschoonbaar.
4.2.
Vaststaat dat appellant tot [datum] een auto (merk: Audi voorzien van het kenteken [kenteken]) op zijn naam heeft gehad. De auto was in december 2019 € 1000,- waard. Uit het Vrij te laten bedrag-rapport van januari 2020 volgt het volgende.
Een auto wordt beschouwd als een bovenmatig boedelbestanddeel, dat in beginsel te gelde moet worden gemaakt. Van verkoop kan worden afgezien wanneer de waarde van de auto door de schuldenaar aan de boedel wordt vergoed. In twee gevallen kan de rechter-commissaris worden verzocht om toestemming tot het behoud van de auto, namelijk wanneer deze om medische redenen noodzakelijk is of wanneer de auto noodzakelijk is voor inkomensverwerving (werk). Onder andere wanneer het werk in de nacht begint of eindigt of wanneer er sprake is van bijzondere familieomstandigheden (zoals halen/brengen jonge kinderen) kan er grond zijn af te wijken van voorgaande uitgangspunten en het behoud van een auto toe te staan. Wanneer bepaald is dat de auto mag worden behouden, hoeft de waarde van de auto in beginsel niet aan de boedel te worden vergoed.
4.3.
Hoewel de beslissing van de rechter-commissaris dat een boedelbijdrage verschuldigd is bij schenking of verkoop van de auto binnen een jaar voor toelating tot de schuldsanering op zichzelf juist is, is de rechtbank op grond van het hierna volgende van oordeel dat het in dit geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om een boedelbijdrage van appellant te verwachten. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij de beslissing om zijn auto over te schrijven op naam van zijn ex-echtgenote genomen heeft om kosten te besparen. Ten tijde van het overschrijven van de auto was sprake van een schuldhulptraject bij Plangroep. Indien nadien bij de behandeling van het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldregeling bekend zou zijn geweest dat appellant de auto ter waarde van ongeveer € 1000,- een paar maanden eerder had geschonken aan zijn ex-vrouw, zou dit, naar het zich laat aanzien, vanwege de waarde van de auto niet hebben geleid tot afwijzing van het toelatingsverzoek vanwege paulianeus handelen. Evenmin zou alsdan als voorwaarde voor de toelating aan appellant de verplichting zijn opgelegd de waarde van de auto in de boedel te brengen. Tevens weegt de rechtbank mee dat appellant de keuze niet meer heeft om de auto alsnog te gelde te maken, nu de bewindvoerder geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de schenkingsovereenkomst te vernietigen en de auto zich thans niet meer onder de ex-echtgenote bevindt.
Tot slot neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking. Appellant heeft verklaard dat hij de auto aan zijn ex-echtgenote heeft geschonken zodat hij zelf nog wel gebruik kon maken van de auto voor ziekenhuisbezoek , maar niet meer verantwoordelijk was voor de kosten van de auto. Gelet op de verklaring van appellant is niet ondenkbaar dat hij de auto op medische gronden had kunnen behouden als hij deze bij de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling nog in eigendom had gehad. Ook in dat geval zou hij niet gehouden zijn geweest tot het betalen van een vergoeding aan de boedel. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslissing van de rechter-commissaris dat appellant een boedelbijdrage verschuldigd is geen stand kan houden.
De rechtbank zal de beschikking van 11 mei 2020 - en daarmee tevens de beschikking van 6 januari 2020 die daarin bevestigd is - daarom in zoverre vernietigen.

5.Beslissing:

De rechtbank:
5.1.
verklaart het beroep gegrond;
5.2.
vernietigt de beschikkingen van de rechter-commissaris van 6 januari 2020 en 11 mei 2020 voor zover daarin bepaald is dat appellant een boedelbijdrage verschuldigd is.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.S.J. Thijs, mr. T.S. Röell en mr. E.B. de Vries- van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 7 juli 2020 [1] .

Voetnoten

1.Tegen deze beschikking kan degene, aan wie de dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen twee maal vijf dagen na de dag van deze beschikking cassatie instellen ter griffie van de Hoge Raad.