Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 31 januari 2020, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 8 april 2020 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de brief van 3 juni 2020 van mr. De Groen met producties 14 tot en met 26;
- de brief van 5 juni 2020 van mr. Minjon met productie 5;
- de mondelinge behandeling (in verband met de Covid-19 maatregelen via een Skypeverbinding) op 9 juni 2020;
- de spreekaantekeningen van mr. De Groen;
- de spreekaantekeningen van mr. Minjon.
2.De feiten
Artikel 9
11Verhuur c.q. in gebruik geven van opstallen aan derden
3.De vordering en het verweer
4.De beoordeling
Procesbevoegdheid bestuur; ontvankelijkheid
vergaderingde overtreder indien hij geen gevolg geeft aan de in artikel 27 lid 1 genoemde Pro waarschuwing, een boete kan opleggen van duizend gulden. De vergadering is bevoegd het bedrag van de boete regelmatig te herzien. Dat (de administrateur van) de VvE zich hiervan bewust is, blijkt overigens uit de (onder de feiten als laatst geciteerde zin van) brief van 7 mei 2019. Uit de overgelegde stukken blijkt echter dat de
vergaderinggeen boetes aan [gedaagden] heeft opgelegd. Uit de door de VvE in het geding gebrachte notulen van de op 21 september 2019 gehouden vergadering blijkt dat de vergadering wél heeft besloten tot het opleggen van een boete aan andere leden die hun bungalow gebruikten voor permanente bewoning. Desgevraagd heeft de VvE hierover ter zitting verklaard dat op dat moment bekend was dat de zoon van [gedaagden] de woning zou verlaten, en zij niet wist dat de heer [naam 2] deze zou betrekken.